Uitkeringsfraude: rechtbank verwerpt het verweer dat de gemeente op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding & werkzaamheden of inkomsten

Rechtbank Midden-Nederland 8 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5094 De verdachte ontvangt vanaf 3 april 2001 een uitkering in het kader van de Algemene Bijstandswet van de gemeente Noordoostpolder. Op 1 januari 2005 is de Abw uitkering omgezet naar een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand. Vanaf 1 december 2009 volgens de alleenstaande norm.

De medeverdachte ontvangt vanaf 1 februari 2011 een uitkering in het kader van de Wet Investeren in Jongeren van het cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder volgens de norm alleenstaande ouder met 20% alleenstaande ouder toeslag. Verdachte ontvangt vanaf 11 september 2011 een uitkering in het kader van de WWB van het cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder volgens de norm alleenstaande ouder met 20% alleenstaande ouder toeslag.

Aan de toekenning van een uitkering is de voorwaarde verbonden dat de ontvanger op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en continuering van de uitkering. Hetgeen is bepaald in de artikelen 17 WWB en 44 WIJ.

Bij de toekenningsbeschikking van de uitkering wordt een bijlage gevoegd waarop deze verplichtingen staan vermeld. Aan de hand van de door de ontvanger persoonlijk ingevulde en ondergetekende mutatieformulieren is de hoogte van de uitkering vastgesteld en uitbetaald.

Door de burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder zijn de WWB uitkeringen van verdachte en medeverdachte per 18 december 2013 beëindigd.

Standpunt officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake van opzet, aangezien verdachte wist wat de consequentie was als hij met medeverdachte ging samenwonen. Uit het dossier blijkt dat het waterverbruik in de woning van medeverdachte vanaf 21 mei 2010 laag was. Daarbij komt dat de getuigenverklaringen aansluiten bij dit objectieve gegeven. Daarnaast heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd. De periode ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient beperkt te worden van 1 mei 2010 tot en met 18 december 2013, omdat vanaf dat moment het waterverbruik in de woning van de medeverdachte laag was.

Verdachte heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht en dat is op zichzelf voldoende voor bewezenverklaring van schending van de inlichtingenplicht. Hiervoor is niet van belang of verdachte met deze werkzaamheden daadwerkelijk geld heeft verdiend.

Feit 2

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De medeverdachte heeft eveneens uitkeringsfraude gepleegd. Verdachte heeft hiervan geprofiteerd doordat hij met de medeverdachte samenwoonde. De periode ten aanzien van het ten laste gelegde dient beperkt te worden van 1 februari 2011 tot en met 18 december 2013, omdat de uitkering aan medeverdachte per 1 februari 2011 is verstrekt.

Standpunt verdediging

Feit 1

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. De gemeente was op de hoogte van de situatie waarin verdachte verkeerde, waardoor verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de gemeente ook vanuit het oogpunt van het beoordelen van het recht op bijstand voldoende geïnformeerd was over zijn relatie met de medeverdachte.

Feit 2

De raadsvrouw heeft ook ten aanzien van dit feit vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Daarnaast kan geen voordeel worden verkregen als het voordeel betreft wat is verkregen uit eigen misdrijf.

Beoordeling rechtbank

Op 19 juni 2012 is door de preventiemedewerker afdeling cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder een rapport opgesteld. Hieruit blijkt onder meer dat op 9 juli 2011 een meisje is geboren waarvan de ouders verdachte en de medeverdachte zijn. Voorts blijkt dat het waterverbruik volgens opgave van medeverdachte op het adres 12m3 betreft in de periode van mei 2010 tot en met mei 2011.

Bij waarnemingen in de periode van 8 februari 2012 tot en met 11 juni 2012 is medeverdachte eenmaal in de woning aan het adres gezien. Medeverdachte was gedurende zes minuten in de woning en verliet vervolgens de woning. Tijdens deze waarnemingen is tevens gezien dat medeverdachte om 8.20 uur met een klein meisje de woning van verdachte aan het adres verliet. Voorts is gezien dat er bij verdachte vijf verschillende auto’s op de oprit stonden.

Een nader onderzoek is ingesteld op 6 mei 2013. Uit dit onderzoek blijkt dat door verdachte en medeverdachte geen melding is gedaan van een gezamenlijke huishouding of werkzaamheden of inkomsten. Er zijn immers geen mutatieformulieren of andere meldingen binnengekomen.

In de periode van 21 mei 2010 tot en met 16 mei 2013 heeft medeverdachte het waterverbruik doorgegeven via internet. Het verbruik in die periode is 18 m3. Dit waterverbruik is bijzonder laag, omdat er sprake was van een bewoning door een volwassene en vanaf 2011 door twee kinderen. Een normaal waterverbruik zou zijn 91 m3 voor een tweepersoonshuishouden en een waterverbruik van 137 m3 bij een driepersoonshuishouden, volgens het Nibud.

Uit openbare bronnen op het internet blijkt dat verdachte en medeverdachte een gezamenlijk Facebook account hebben, waarop medeverdachte op 22 en 28 september 2012 berichten zette betreffende haar en verdachte.

Uit achttien waarnemingen in de periode van 14 mei 2013 tot 18 juni 2013 blijkt het volgende. Vijfmaal is gezien dat medeverdachte met haar dochters om 8.20 uur uit de woning van verdachte komt. Voorts zijn er zeven verschillende auto’s op de oprit van verdachte gezien. Tenslotte blijkt dat medeverdachte in de gehele periode geen enkele maal is waargenomen bij haar eigen woning aan het adres.

Uit observaties op grond van het Wetboek van Strafvordering in de periode van 2 juli 2013 tot en met 24 september 2013 blijkt het volgende. Medeverdachte slaapt bij verdachte. De kinderen van medeverdachte wonen tevens bij verdachte. Medeverdachte en verdachte doen gezamenlijk boodschappen. Medeverdachte haalt af en toe post op uit haar woning aan het adres. Verdachte houdt zich bezig met reparaties en onderhoud van auto’s.

De getuige heeft op 14 november 2013 verklaard dat zij drieënhalf jaar op het adres. Volgens deze getuige woonde medeverdachte niet in de woning, maar kwam zij daar af en toe. Medeverdachte woonde verderop in het adres met verdachte gedurende de drieënhalf jaar dat de getuige naast haar woonde.

Uit het proces-verbaal blijkt dat op 18 december 2013 is gesproken met een tweetal bewoners die woonachtig zijn in het adres. Beiden verklaren onafhankelijk van elkaar dat medeverdachte niet haar hoofdverblijf heeft op het adres. Medeverdachte is af en toe bij haar woning gezien en de afvalcontainer wordt mede gebruikt door buurtbewoners die teveel afval hebben.

Uit de verklaring van medeverdachte op 18 december 2013 blijkt onder meer het volgende. Zij ontvangt een WWB uitkering en is op de hoogte is van de plichten die zijn verbonden aan een uitkering en zij wijzigingen in haar privésituatie moet melden op bepaalde formulieren. Zij heeft bijna vier jaar een relatie met verdachte en zij hebben samen een dochter. Zij weet dat verdachte een WWB uitkering ontvangt. Voorts blijkt dat medeverdachte met haar kinderen bij verdachte eet en alle kinderen een eigen bed hebben bij verdachte. Voorts blijkt uit haar verklaring dat zij samen met verdachte boodschappen doet en betaalt. Medeverdachte bekent dat zij sinds april 2013 dag en nacht bij verdachte verblijft.

Uit de verklaring van verdachte op 18 december 2013 blijkt onder meer het volgende. Hij ontvangt een uitkering van de gemeente Noordoostpolder sinds 2001. Hij woont samen met medeverdachte en haar kinderen. Verdachte is op de hoogte van de plichten die zijn verbonden aan een uitkering en hij weet dat hij wijzigingen in zijn woon- en leefsituatie moet melden bij de gemeente. Verdachte verklaart dat hij en medeverdachte ongeveer vier jaar een relatie hebben en dat zij vanaf de zomer 2012 altijd bij hem is. Verdachte weet dat medeverdachte een uitkering ontvangt. Vervolgens herhaalt verdachte dat medeverdachte met haar kinderen anderhalf jaar bij hem is. Medeverdachte heeft de beschikking over zijn bankpas wanneer zij boodschappen doet. De boodschappen worden gezamenlijk betaald. De huishouding wordt ook gezamenlijk gedaan. Voor het repareren van auto’s heeft verdachte in het verleden het gebruik van een auto gekregen gedurende een periode van zes weken of twintig euro per klus. Voorts verklaart verdachte dat hij medeverdachte een jaar eerder had gezegd haar eigen woning op te zeggen en officieel bij hem in te trekken.

Uit voorgaande bewijsmiddelen, met name de verklaringen van de (anonieme) getuigen en meldingen en de objectieve gegevens omtrent het elektriciteits- en waterverbruik, blijkt dat verdachte vanaf 21 mei 2010 (te weten de begindatum van het lage waterverbruik) een gezamenlijke huishouding met medeverdachte voerde en dat hij heeft nagelaten dit op te geven. Derhalve heeft verdachte verzwegen dat hij samenwoonde en hierdoor heeft hij niet voldaan aan de inlichtingenplicht op grond van de WBB en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de gemeente op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding en werkzaamheden of inkomsten. Uit het onderzoek ingesteld op 6 mei 2013 blijk immers dat er geen mutatieformulieren of andere meldingen zijn binnengekomen omtrent de gezamenlijke huishouding en werkzaamheden. Zowel verdachte als de medeverdachte ontkennen tevens dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor het niet voor de hand ligt dat de gemeente hiervan op de hoogte was. Dat verdachte en de medeverdachte met gemeenteambtenaren gesproken hebben over hun persoonlijke situatie maakt dit niet anders, te minder nu daarmee niet aangetoond is dat bij dat contact volledig inzicht verschaft is in hun huishouding.

De rechtbank verwerpt tevens het verweer van de raadsvrouw dat er geen sprake is van opzet. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte blijkt dat zij ieder op de hoogte waren dat de ander net als zijzelf een uitkering ontving en dat zij op de hoogte waren van de verplichtingen verbonden aan de verstrekking van de uitkering en dat zij wijzigingen dienden door te geven.

Feit 2

Blijkens hetgeen onder feit 1 is overwogen heeft medeverdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het schenden van de inlichtingenplicht strafbaar gesteld ex artikel 227b Sr. Verdachte heeft door het voeren van een gezamenlijke huishouding met medeverdachte medeverdachte, voordeel getrokken uit het door de medeverdachte gepleegde strafbare feit. Verdachte en medeverdachte deelden immers de kosten voor de boodschappen.

De rechtbank acht daarom ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Feit 1: In strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij wist dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

Feit 2: Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 200 uren en veroordeelt de verdachte voorts tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF