Uitkeringsfraude: Deviezenbeperking doet niets af aan de informatieplicht

Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5619

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bijstandsfraude door de uitkerende instantie gedurende een periode van meerdere jaren niet te informeren over onroerend goed dat destijds mede in het bezit van verdachte was, terwijl de totale waarde van dit onroerend goed beduidend hoger was dan het vrij te laten vermogen. 

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte niet kon beschikken over de opbrengst van bedoeld onroerend goed (te weten een woning gelegen in Marokko, hierna: de woning) omdat het voor hem onmogelijk is bij verkoop van de woning de opbrengst daarvan vanuit Marokko naar Nederland uit te voeren. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat in Marokko sprake is van een zodanige deviezenbeperking, dat de opbrengst van de verkoop van onroerende zaken in Marokko uitsluitend naar het buitenland kan worden uitgevoerd, voor zover de onroerende zaak oorspronkelijk is aangekocht met geld dat aantoonbaar vanuit het buitenland naar Marokko is overgemaakt. Nu dit laatste niet het geval is, kan de verdachte niet over de opbrengst beschikken. Hij kan het vermogen daarom niet aanwenden voor levensonderhoud in Nederland en het vermogen kan derhalve niet van invloed zijn op de hoogte van de uitkering.

Daarnaast brengt de raadsman naar voren dat de verdachte hulp heeft gehad bij het invullen van zijn papieren. Een sociaal raadsman heeft gezegd dat de (toen nog onbebouwde) grond niet opgegeven hoefde te worden. Op basis van die informatie was de verdachte in de veronderstelling dat hij deze gegevens niet door hoefde te geven en dat daarom niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) te informeren over het onroerend goed in Marokko. Evenmin kan volgens de raadsman bewezen worden dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor zijn recht op een uitkering. Een en ander moet leiden tot vrijspraak. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat het gebruikte taxatierapport onjuist is, omdat de taxateur niet kwam uit de regio waar de woning gelegen is en hij de grond en woning hoger heeft getaxeerd dan dat het onroerend goed daadwerkelijk waard is.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte had moeten melden dat hij onroerend goed had in het buitenland. De verdachte had een inlichtingenplicht op basis waarvan DWI kan beslissen over de hoogte of duur van de uitkering. Nu de verdachte onjuiste inlichtingen heeft verstrekt heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het hof komt op basis van de redengevende feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en overweegt hiertoe het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt het volgende. De verdachte heeft in Jaadaar, Marokko een stuk grond geërfd: de verdelingsakte waaruit dit blijkt is opgemaakt op 25 juli 2003 en is opgenomen in het eigendommenregister nummer 40, onder 29 op 4 augustus 2003 (zie de akte van verdeling d.d. 25 juli 2013, opgemaakt door de bevoegde getuigennotarissen naam 1 en naam 2 en de rechter mr. naam 3, doorgenummerde pagina’s 55 en 56). De grond en de daarop gerealiseerde bebouwing is eind 2012 getaxeerd op 744.000 Dirham (€ 66.960) (deskundigenrapport d.d. 28 december 2012, opgemaakt door de daartoe bevoegde naam 4, doorgenummerd pagina’s 52 en 53, alsmede het proces-verbaal uitkeringsfraude d.d. 28 maart 2013 opgemaakt op ambtseed door de sociaal rechercheur naam 5, pagina 9 van 12) en valt in het gezamenlijk vermogen van de verdachte en haar echtgenoot.

De verdachte heeft tussen 4 augustus 2003 en 31 oktober 2012 (met enige onderbrekingen) een uitkering ontvangen van DWI. De verdachte heeft DWI niet geïnformeerd over dit vermogen. De vraag die beantwoord dient te worden is of de verdachte daartoe al dan niet gehouden was.

Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend, omdat het hof van oordeel is dat de deviezenbeperking waarop door de verdediging een beroep is gedaan niet afdoet aan de inlichtingenplicht van de verdachte. De regels omtrent het opgeven van vermogen zijn - gelet op de vraagstelling op het inlichtingenformulier: “Heeft u een huis of grond binnen/buiten Nederland?” - volstrekt duidelijk, de verdachte had het onroerend goed dan ook moeten melden waarna DWI had kunnen bezien of dit gevolgen zou hebben voor de uitkering van verdachte, waarbij ook de eventuele gevolgen van de deviezenbepalingen aan de orde zouden zijn gekomen. Door geen melding te doen van dit vermogen heeft de verdachte aan DWI deze mogelijkheid onthouden en heeft zij voorts de controlemogelijkheden van DWI beperkt.

Het hof overweegt met betrekking tot de gestelde advisering door de sociaal raadsman (inhoudende dat het bezit van de grond en later de daarop gebouwde woning niet gemeld behoefde te worden) als volgt. Deze (blote) stelling is op geen enkele wijze nader onderbouwd, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat in het gesprek met de sociaal raadsman de geldende deviezenbepalingen aan de orde zijn gesteld.

Het hof verwerpt dit verweer.

De raadsman heeft tenslotte aangevoerd dat het taxatierapport van naam 4 van 28 december 2012 niet gehanteerd kan worden voor de nadeelberekening, omdat de taxateur niet uit Jaadaar of omgeving afkomstig is maar uit Casablanca. Het hof verwerpt dit verweer. Het taxatierapport is opgesteld door een erkend en beëdigd taxateur, van wiens deskundigheid derhalve kan worden uitgegaan. De enkele omstandigheid dat die taxateur niet uit Jaadaar of omgeving komt doet daar niet aan af. De verwijzing door de raadsman naar een andere waarde-opgave faalt, nu gesteld noch gebleken is dat deze afkomstig is van een terzake deskundig taxateur. De enkele omstandigheid dat deze waarde is genoemd door een persoon die woonachtig is dezelfde wijk als waarin de woning is gelegen, is daartoe onvoldoende.
 

Bewezenverklaring

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.
 

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF