Toegekende schadevergoeding ex. art. 591a Sv gehalveerd nu verzoeker zelf, niet-verschuldigbaar, mede de oorzaak is van de tegen hem ontstane verdenking

Rechtbank Oost-Nederland 13 februari 2013, LJN CA2778

Door verzoeker wordt verzocht om een vergoeding wegens rechtsbijstandskosten van € 20.538,53 (honorarium, inclusief kantoorkosten, reiskosten en BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van voldoening van de declaraties. De uren die door verzoeker's raadslieden aan het dossier zijn besteed, zijn nader gespecificeerd in de bij het verzoekschrift gevoegde declaraties en urenspecificaties.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgevoerde rechtsbijstandskosten bovenmatig zijn en dat enige vergoeding daarvan dient te worden gematigd. Voorts stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er geen wettelijke basis bestaat voor toekenning van een rentevergoeding.

Totstandkoming verdenking

Nu het in de onderhavige zaak gaat om een zaak die niet voor de strafrechter is gebracht, doch is geëindigd in een sepot en in omvang lijkt te zijn beperkt tot een aanhouding, verhoor en kortdurende inverzekeringstelling, zal de raadkamer allereerst stilstaan bij de vraag hoe de verdenking tot stand is gekomen.

Tijdens de behandeling in raadkamer heeft verzoeker toegelicht dat in 2003 een aanbod is gedaan aan een vriend van verzoeker, om onroerend goed tegen een gunstige prijs te kopen. Verzoeker heeft, omdat hij architect is, die vriend van verzoeker daarbij geadviseerd. Samen hebben zij afgesproken dat [vriend van verzoeker] het onroerend goed tegen die gunstige prijs zou aankopen en dat deze het onroerend goed diezelfde dag met een winst van € 25.000 zou doorverkopen aan verzoeker. Korte tijd later heeft verzoeker het onroerend goed zelf ook weer doorverkocht met winst.

Verzoeker heeft verklaard dat hij op grond hiervan door de FIOD is verdacht van witwassen. Deze verdenking betreft de strafzaak, waarop het verzoekschrift betrekking heeft. Verzoeker heeft verklaard het achteraf dom te vinden dat hij toen voor de snelle winst is gegaan. Het dossier bedroeg naar zijn zeggen één dikke ordner, waarvan slechts enkele pagina’s op hem en [vriend van verzoeker] betrekking hadden.

De advocaat heeft hier nog aan toegevoegd dat de verdenking, behalve op witwassen, ook betrekking zou hebben op oplichting (van laatstbedoelde koper).

De raadkamer is allereerst van oordeel dat verzoeker bij de opsporingsautoriteiten door zijn eigen handelen een niet onbegrijpelijke verdenking jegens zichzelf heeft doen ontstaan. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat onroerend goed niet tweemaal op één dag pleegt te worden verkocht, althans niet door personen die niet gerekend kunnen worden tot professionele vastgoedhandelaren. Dergelijke praktijken passen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in een beeld van frauduleus handelen. Zeker verzoeker moet naar het oordeel van de raadkamer hiervan weet hebben gehad, omdat hij als architect nu eenmaal bekend mag worden verondersteld met de vastgoedwereld.

Ook de officier van justitie schrijft in zijn brief d.d. 29 augustus 2012, waarin hij de sepotbeslissing met code 02 toelicht, dat naar zijn oordeel sprake is van ‘uiterst laakbaar handelen’ door verzoeker.

De raadkamer is dan ook van oordeel dat verzoeker zelf, niet-verschuldigbaar, mede de oorzaak is van de tegen hem ontstane verdenking. Onder die omstandigheden acht de raadkamer het niet billijk aan verzoeker een schadevergoeding van staatswege toe te kennen voor alle door hem gemaakte kosten, die kennelijk zijn gemoeid met zijn uitleg aan FIOD en OM - achteraf - dat verzoeker, ondanks de schijn die hij zelf in het leven heeft geroepen, geen strafbare bedoelingen heeft gehad.

De raadkamer zal om die reden de hierna nader vast te stellen vergoeding - op gemelde gronden van billijkheid - halveren.

Gedeclareerde werkzaamheden voor rechtsbijstand 

Bij het onderzoek naar de vraag of gronden van billijkheid aanwezig zijn om tot vergoeding van rechtsbijstandskosten over te gaan, dient voorts de vraag te worden beantwoord of de verrichte rechtsbijstandswerkzaamheden - mede gelet op de inhoud en omvang van het dossier, alsmede de beschrijving van die werkzaamheden - redelijkerwijs nodig zijn geweest voor de behandeling van 'de zaak' waarop het verzoek betrekking heeft. Indien en voorzover naar het oordeel van de raadkamer werkzaamheden onnodig zijn verricht of niet zijn verricht ten behoeve van 'de zaak', kan hiervan in beginsel het gevolg zijn dat geen gronden van billijkheid tot toekenning van een vergoeding worden aangenomen.

In de onderhavige zaak is de raadkamer van oordeel dat de overgelegde urenspecificaties vragen oproept. Immers, 'de zaak' is geëindigd in een sepot en lijkt zich te hebben beperkt tot aanhouding, verhoor en een kortdurende inverzekeringstelling van verzoeker.

Verzoeker heeft zelf verklaard dat sprake was van één dikke ordner, waarin slechts enkele pagina’s aan de rol van hem en [vriend van verzoeker] zijn besteed. En in dat licht bezien komt een vergoeding van ruim € 20.000,- op het eerste gezicht als bovenmatig voor.

Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de advocaat namens verzoeker uitvoerig toegelicht dat deze zaak een complexe materie betrof, die grote deskundigheid en veel tijd heeft vereist.

De raadkamer vermag echter niet in te zien wat aan de hierboven geschetste feiten dermate complex is, dat de desbetreffende strafzaak aan rechtsbijstandswerkzaamheden zoveel kosten heeft gevergd. In raadkamer is ook niet aannemelijk gemaakt dat dit anders zou zijn.

Bovendien is de raadkamer van oordeel dat de gedeclareerde werkzaamheden in uitermate algemene bewoordingen zijn verantwoord. Verantwoordingen als "diverse werkzaamheden", “corr. met derden" of "tel. met derden", geven onvoldoende inzicht in de aard van de feitelijk verrichte werkzaamheden, zoals nodig voor de beantwoording van de vraag of, waarom en in hoeverre de gedeclareerde werkzaamheden zijn verricht in het kader van deze strafzaak. De urenspecificaties bieden de raadkamer dan ook onvoldoende inzicht en houvast voor het vaststellen van een billijke schadevergoeding.

Gelet op het vorenstaande zal de raadkamer een schatting moeten maken of en zo ja, in hoeverre in het kader van de onderhavige strafzaak kosten wegens rechtsbijstand zijn gemaakt, die voor vergoeding in aanmerking komen.

De onderhavige zaak komt de raadkamer niet voor als een complexe strafzaak. Verzoeker heeft daartoe een advocaat in de arm genomen die een specialistisch uurtarief hanteert. De raadkamer zal deze keuze respecteren.

De raadkamer zal aldus uitgaan van een relatief eenvoudige strafzaak, waarbij de rechtskundige bijstand vooral heeft bestaan in:

  • bijstand van verzoeker, tijdens en na het verhoor en inverzekeringstelling (waaronder begrepen lezen en bespreken van het dossier);
  • uitleg verschaffen aan de opsporingsdiensten en aan het Openbaar Ministerie betreffende de intenties van verzoeker;
  • verkrijgen van een andere categorie sepot, te weten sepotcode 01 in plaats van sepotcode 02.

Wat betreft dit laatste punt, de sepotwijziging, is de raadkamer van oordeel dat dit buiten het bestek van de schadevergoeding krachtens artikel 591a Sv valt. De raadkamer gaat er van uit dat 'de zaak' is geëindigd met de sepotbeslissing d.d. 30 augustus 2012. Kosten die daarna zijn gemaakt, vallen ook buiten het bestek van artikel 591a Sv.

Voor toekenning van wettelijke rente biedt artikel 591a Sv geen grond. De raadkamer zal dit onderdeel van het verzoek dan ook geheel afwijzen.

Gelet op het vorenstaande acht de raadkamer voor de aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag liggende strafzaak een totaalbedrag (inclusief wachttijd, reistijd, reiskosten, kantoorkosten en BTW) wegens rechtskundige bijstand ad € 4.000,- billijk.

Zoals hiervoor overwogen, zal de raadkamer bij de aan verzoeker toe te kennen schadevergoeding rekening houden met de rol van verzoeker bij het ontstaan van de verdenking, en om die reden een halvering toepassen.

Aldus acht de raadkamer gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker wegens verleende rechtsbijstand in de strafzaak een schadevergoeding toe te kennen ad € 2.000,-.

Kosten verzoekschrift 

De raadkamer is van oordeel dat, gelet op de gebruikelijke vergoeding inzake verzoekschriften ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift een bedrag van € 550,00 (inclusief 21% B.T.W.) kan worden toegewezen.

Niet aannemelijk is gemaakt waarom in dit specifieke geval van de gebruikelijke vergoeding zou moeten worden afgeweken. De raadkamer merkt hierover ten overvloede nog op dat het niet zo kan zijn dat een hogere dan gebruikelijke vergoeding wordt verlangd in geval een op zichzelf tamelijk eenvoudige procedure nodeloos omvangrijk wordt gemaakt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF