Antwoorden Kamervragen over schikkingen in strafzaken: 'beeld dat verdachten die een transactie aangeboden krijgen een bevoorrechte behandeling genieten is onterecht'

Naar aanleiding van het bericht ‘Schikkingscultuur in fraudezaken ondermijnt de rechtsontwikkeling’ (in het NJB van 14 maart 2014) zijn door Gesthuizen (SP) kamervragen gesteld aan de minister van Veiligheid en Justitie over schikkingen in fraudezaken.

Opstelten bericht dat het Openbaar Ministerie in de afgelopen vijf jaar in minder dan tien zaken per jaar de instemming van de Minister met een hoge transactie heeft gevraagd. Deze instemming is vereist op grond van de beleidsregels van het OM ter zake, de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties. Het gaat dus om een klein deel van alle fraudezaken. Wanneer een zaak met een hoge transactie wordt afgedaan, past dit veelal in een interventiestrategie die gericht is op het bereiken van een optimaal maatschappelijk effect van de strafzaak, aldus Opstelten. Soms wordt een gehele strafzaak buitengerechtelijk afgedaan, in andere gevallen is sprake van afdoening van een deel van de zaak terwijl verdachten met een andere rol of positie in het feitencomplex een andere strafrechtelijke reactie ontvangen. Daarbij is steeds sprake van maatwerk.

Klassenjustitie?

De Minister benadrukt dat in elke strafzaak zorgvuldig wordt afgewogen wat de meest passende afdoening is. Concrete omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een buitengerechtelijke afdoening, waarvan de transactie een voorbeeld is, het meest passend is. Daarbij speelt een rol dat het OM aan een rechtspersoon maatregelen als voorwaarde kan stellen waardoor fraude in de toekomst kan worden voorkomen, waaronder maatregelen ter bevordering van de compliance, verbetering van bedrijfsprocessen en integriteitsprocedures. Ook capaciteitsvoordelen kunnen in de afweging een rol spelen. Met een hoge transactie is dan sprake van een snel- le, daadkrachtige interventie waarmee aan de samenleving, of aan bepaalde maatschappelijke sectoren, wordt duidelijk gemaakt dat het M optreedt tegen strafbaar gedrag. Verder is een financiële sanctie bij financieel gemotiveerde fraude in de regel een gepaste straf. Dat geldt dan ook voor een buitengerechtelijke financiële afdoening. Wanneer het OM een transactie voorstelt, is het geëiste geldbedrag gelijk aan het bedrag dat het OM ter zitting zou eisen. Een snelle afdoening betekent bovendien dat slachtoffers sneller kunnen worden gecompenseerd voor geleden schade dan bij een behandeling ter zitting meestal het geval is. Wanneer het OM van oordeel is dat een gevangenisstraf de meest passende straf zou zijn, zal volgens de Minister geen transactie worden aangeboden. Voor zover het beeld bestaat dat verdachten die een transactie aangeboden krijgen hiermee een bevoorrechte behandeling genieten, is dit beeld dus niet terecht, aldus Opstelten.

Aanwijzing bevat voldoende inhoudelijke toetsingscriteria

De Aanwijzing hoge en bijzondere transacties benadrukt het uitzonderlijke karakter van de hoge transactie en heeft tot doel om het instrument van de transactie enkel in te zetten wanneer deze wijze van afdoening gezien alle omstandigheden de meeste passende wijze van afdoening is. De aanwijzing biedt een afdoende kader om dit te waarborgen, aldus de Minister.

Duidelijkheid van verplichte persberichten

Gesthuizen vraagt de Minister ook expliciet naar verplichte pers- berichten van het OM bij een schikking, ter compensatie van het openbare karakter dat een terechtzitting zou hebben gehad. Volgens haar zijn deze doorgaans niet erg duidelijk over de motieven, argumenten en afwegingen die een rol hebben gespeeld bij de schikking. Opstelten geeft echter nauwelijks antwoord op de vraag of hij mogelijkheden ziet deze persberichten inhoudelijker en duidelijker te laten maken.

Stagnering rechtsontwikkeling

Volgens de Minister is er geen sprake van stagnering van de rechts- ontwikkeling door de schikkingspraktijk.

De hoge transactie wordt slechts bij uitzondering toegepast. Veel financieel-economische strafzaken worden wel degelijk voorgelegd aan de rechter. Als in een zaak sprake is van belangrijke rechtsvragen is dit een overweging om de transactie niet als meest passende afdoening te zien. Voorts biedt de hoge transactie juist de mogelijkheid om het strafproces te concentreren op de belangrijke rechtsvragen. Doordat de zaken van minder gewicht of belang voor de rechtsontwikkeling buitengerechtelijk worden afgedaan, kan het resterende principiële geschil met meer scherpte aan de strafrechter worden voorgelegd. Evenzo kan de strafrechter zich op deze manier concentreren op de hoofdverdachten in een feitencomplex, aldus de Minister. Als voorbeeld noemt hij de Klimopzaak, waarin de zaken tegen enkele verdachte (rechts)- personen met hoge transacties en schikkingen zijn afgedaan en daarnaast de hoofdverdachten voor de rechter zijn gebracht. Van stagnatie van de rechtspraktijk vanwege het bij uitzondering afdoen van een zaak door middel van een hoge transactie is dan ook geen sprake.

Introductie marginale toetsing bij voorgenomen transacties

Opstelten lijkt geen heil te zien in de introductie van een marginale toetsing door de rechter bij voorgenomen transacties te introduceren, waardoor een oplossing wordt aangedragen voor het probleem dat het OM te snel zou schikken en het de verdediging aan rechtsbescherming zou ontbreken.

De Minister benadrukt dat de verdediging altijd de mogelijkheid heeft niet op het transactievoorstel in te gaan, waarna het OM tot dagvaarding zal overgaan en de zaak aan de rechter wordt voorgelegd. Het ontbreekt de verdediging bij de transactie dus niet aan rechtsbescherming. En voor belanghebbenden bestaat de beklagmogelijkheid van artikel 12 Sv.

Een toetsing vooraf door de rechter van een afdoeningswijze die in een procedure tussen de verdachte en het OM tot stand is gekomen, toont enige gelijkenis met het Amerikaanse fenomeen plea bargaining. Door de hoogleraren Brants en Stapert is in 2004, in opdracht van het toenmalige Ministerie van Justitie, een onderzoek uitgevoerd waarbij de rechtspraktijk in de Verenigde Staten, Engeland en Wales op het gebied van plea bargaining is betrokken. In dit onderzoek is de conclusie getrokken dat het Nederlandse rechtssysteem te veel verschilt van het Amerikaanse om elementen van plea bargaining over te nemen. Als gevolg ziet de Minister op dit moment dan ook geen aanleiding hiernaar onderzoek te laten doen.

Print Friendly and PDF