Schuldwitwassen: Middelen over het bestanddeel schuld, kwalificatie als schuldwitwassen en bewijs van omzetten en gebruik maken

Hoge Raad 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:897

De verdachte is bij arrest van 17 september 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “schuldwitwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 20 april 2010 tot en met 1 november 2010 te Den Haag geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en/of omgezet, en van geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

Naar aanleiding van een door de raadsman gevoerd verweer heeft het hof overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte opzet noch schuld heeft gehad aan het witwassen. (…)

Het hof stelt voorop dat van een ondernemer wordt verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de voor zijn onderneming van belang zijnde wet- en regelgeving voordat daarin (nieuwe) bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dit ook te hebben gedaan voordat hij zich ging bezighouden met kinderopvang. Om voor een kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) in aanmerking te komen is vereist dat een gastouderbureau (hierna: GOB) is geregistreerd in een gemeentelijk register kinderopvang, hetgeen leidt tot inschrijving in het Landelijk Register Kinderopvang. Bij de op 8 juli 2010 ingediende aanvraag tot registratie in het register kinderopvang stond bovendien nadrukkelijk vermeld dat pas met de exploitatie van het GOB mag worden begonnen indien een positieve beschikking door de gemeente is afgegeven.

Gelet hierop had de verdachte, toen hij merkte dat er aanzienlijke geldbedragen aan KOT door de belastingdienst op de bankrekening van de GOB van de verdachte waren gestort en wetende dat van een registratie en inschrijving nog geen sprake was, de plicht om te onderzoeken of de herkomst daarvan legaal was en bij enig nadenken redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze gelden niet rechtmatig waren verkregen en dus afkomstig waren uit enig misdrijf. Dit geldt gelet op het vorenstaande zowel voor de periode vóór 8 juli 2010 als daarna. De verdachte had daarbij niet enkel mogen afgaan op mededelingen van de medeverdachte [medeverdachte] en van de vraagouders. Ook kan niet gezegd worden dat de verdachte aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan door bij de Belastingdienst te informeren wat hij met de gestorte geldbedragen moest doen.

Door deze gelden desondanks op zijn bankrekening voorhanden te hebben en over te maken naar andere rekeningen, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.”

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat het bestanddeel schuld, als bedoeld in art. 420quater Sr, ten aanzien van de omstandigheid dat het voorwerp van misdrijf afkomstig is, niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte door zijn buurman en medeverdachte [medeverdachte] is gevraagd om een gastouderbureau op te zetten. Met het oog daarop heeft de verdachte (als houder) vervolgens op zijn naam het gastouderbureau “ [A] ” ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Voorts heeft de verdachte een, door hemzelf op 8 juli 2010 ondertekende, aanvraag tot registratie in het register Kinderopvang gedaan door middel van een formulier waarin, zo kan uit de stukken worden afgeleid, voorgedrukt de volgende tekst was opgenomen:

“Het gastouderbureau mag overgaan tot exploitatie nadat de gemeente een positieve beschikking op deze aanvraag heeft afgegeven”.

Uit bewijsmiddel 4 blijkt dat de gemeente eerst op 2 november 2010 (kennelijk) positief op de aanvraag heeft beslist. De bewijsmiddelen 5 en 1 laten zien dat de verdachte al ruim vóór die tijd, namelijk vanaf 20 april 2010, geldbedragen door de belastingdienst liet storten op het bankrekeningnummer van gastouderbureau “ [A] ” en dat hij vervolgens deze geldbedragen – na aftrek van bureaukosten – overmaakte op de bankrekeningen van de vraagouders.

Op grond van het voorgaande meen ik dat het bewijs voor “het redelijkerwijs moest vermoeden” in voldoende mate uit de bewijsvoering van het hof volgt. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat, anders dan de steller van het middel meent, het hof in het licht van hetgeen te dezen door de raadsman is aangevoerd, niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de verdachte aan zijn onderzoekplicht heeft voldaan door bij de Belastingdienst te informeren wat hij met de gestorte geldbedragen moest doen.

Het eerste middel faalt.

Tweede middel

Het tweede middel keert zich met een beroep op het arrest van HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 tegen het oordeel van het hof dat het feit kan worden gekwalificeerd als (schuld) witwassen, nu “in feite verzoeker is vervolgd voor witwassen van eigen misdrijf, en niet is vastgesteld dat er een of meer gedragingen van verzoeker gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de gelden”.

De rechtspraak waarop de steller van het middel ongetwijfeld het oog heeft, betreft het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan (“eigen”) misdrijf. Die rechtspraak heeft evenwel in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het overdragen, het omzetten en het gebruikmaken, een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420quater Sr aan die begrippen toekomt, van voorwerpen. Dat wordt pas anders indien in een bijzonder geval moet worden geoordeeld dat het overdragen, gebruikmaken of omzetten van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft zich automatisch ook schuldig zou maken aan het (schuld)witwassen van die voorwerpen. Ratio achter deze nadere nuancering van de Hoge Raad is dat voorkomen moet worden dat de hier geldende regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan verwerven of voorhanden hebben. Het door de Hoge Raad bedoelde bijzondere geval doet zich hier echter niet voor.

Het middel faalt.

Derde middel

Het derde middel klaagt dat het omzetten en het gebruikmaken van een geldbedrag niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Zoals uit de bespreking van het eerste en het tweede middel blijkt, zijn naar mijn mening de bedoelde geldbedragen omgezet en heeft de verdachte van deze geldbedragen gebruikgemaakt. Maar zelfs als dit niet het geval zou zijn, dan nog blijft het – in zoverre in cassatie niet bestreden – overdragen staan, zodat dan gezegd kan worden dat het middel onvoldoende rechtens te respecteren belang kent om cassatie te kunnen rechtvaardigen.

Voor zover het middel de (deel)klacht behelst dat de termen “omzetten” en “gebruikmaken” niet voldoende feitelijke betekenis hebben en derhalve door het hof nader omschreven hadden moeten worden, vindt deze klacht geen steun in het recht. In navolging van HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:228 merk ik op dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende termen "omzetten" en "gebruikmaken” klaarblijkelijk zijn gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 420quater, eerste lid aanhef en onder b, Sr. In zijn arrest van 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770, NJ 2015/314 zegt de Hoge Raad in zoveel woorden:

“3.3. De tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr in verbinding met art. 420ter, eerste lid, Sr. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan die bepaling ontleende term "omzetten" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, faalt het daar deze opvatting onjuist is.

(….)

4.3. De tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr in verbinding met art. 420ter, eerste lid, Sr. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan die bepaling ontleende term "een gewoonte maken" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, faalt het daar deze opvatting onjuist is.”

Als dan al voor “een gewoonte maken” geldt dat deze term voldoende feitelijke betekenis heeft, vermag ik niet in te zien waarom dat anders zou zijn bij de concretere term “gebruikmaken”. En voorts lijkt mij dat dit alles niet alleen van toepassing is op art. 420bis Sr in verbinding met art. 420ter Sr, maar evenzeer heeft te gelden voor art. 420quater Sr.

Het derde middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly and PDF