Schending onschuldpresumptie door tot verdachte te herleiden berichtgeving van Openbaar Ministerie 

Rechtbank Amsterdam 3 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8844

In deze zaak is een bezwaarschrift tegen de dagvaarding ingediend. Het bezwaarschrift houdt in dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk zijn in de vervolging, omdat de onschuldpresumptie is geschonden, dan wel dat er – subsidiair – onvoldoende aanwijzing is dat verdachte zich aan enig strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.

In het persbericht van het Openbaar Ministerie van 18 juli 2017 is actief aandacht gevraagd voor de dagvaarding van vijf natuurlijke personen. Door de functie-aanduiding van die personen en de eerdere berichtgeving over deze zaak, was dat onmiddellijk te herleiden tot verdachte, hetgeen ook door de pers is gedaan. Het persbericht bevatte daarnaast een “feitenoverzicht”. In het persbericht heeft het Openbaar Ministerie opgenomen dat het verdachte het plegen van, dan wel feitelijk leidinggeven aan, belastingfraude en valsheid in geschrift verwijt. Met deze uitgebreide, onderbouwde en zonder voorbehoud gemaakte publieke verwijzing naar de schuld van verdachte, heeft het Openbaar Ministerie een grove inbreuk gemaakt op de onschuldpresumptie.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM, die inmiddels is gecodificeerd in de Richtlijn (EU) 2016/32, mag in openbare verklaringen van overheidsinstanties een verdachte niet als schuldig worden aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. De wijze waarop en de context waarin de informatie wordt verspreid, mag niet de indruk wekken dat de persoon schuldig is. Het Openbaar Ministerie heeft deze norm geschonden. Het persbericht en het “feitenoverzicht” reflecteren immers onmiskenbaar de mening van het Openbaar Ministerie dat verdachte schuldig is aan belastingfraude en valsheid in geschrift. Noch in het persbericht, noch in het “feitenoverzicht” is het voorbehoud gemaakt dat verdachte onschuldig is tot het tegendeel in rechte vast is komen te staan. Integendeel, door de mededeling over het vervolgen van de natuurlijke personen te combineren met mededelingen over de schikking met bedrijf 1, is onmiskenbaar de indruk gewekt dat de verdachten schuldig zijn.

Het vormverzuim kan niet meer worden hersteld. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat is veroorzaakt rechtvaardigen de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De onschuldpresumptie is immers een fundamenteel recht dat in artikel 6 lid 2 van het EVRM is neergelegd. Bovendien is verdachte al daadwerkelijk geschaad in zijn verdediging door deze inbreuk, want hij is al publiekelijk veroordeeld.

Subsidiair is de realisatieovereenkomst geen valse overeenkomst. De realisatieovereenkomst was namelijk hoofdzakelijk gericht op het uitbannen van risico’s. Ook als de rechtbank oordeelt dat de realisatieovereenkomst wel vals was, is er echter geen enkel bewijs dat verdachte hier ooit opzet op heeft gehad.

Ook ten aanzien van de beweerdelijk onjuiste aangifte VPB bestaat onvoldoende aanwijzing van schuld, nu het Openbaar Ministerie ten aanzien van de huurder bedrijf 3 heeft moeten erkennen dat zij een deel van de projectwinst als huurdersincentive heeft mogen beschouwen. Bedrijf 1 heeft in haar hoedanigheid als huurder niet anders gehandeld dan bedrijf 3. Bovendien staat voor het Openbaar Ministerie de juistheid van de jaarrekening van moederbedrijf kennelijk wel vast.
 

Standpunt Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben betoogd dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Er is geen inbreuk gemaakt op enig beginsel van behoorlijke procesorde. Het Openbaar Ministerie heeft gemeend een balans te hebben gevonden tussen enerzijds openheid en transparantie en anderzijds de belangen van een eerlijke procesgang, waarbij respect wordt getoond voor de positie van de rechter en de verdediging en recht wordt gedaan aan de verdachte, waarbij de privacy is gewaarborgd. Het is een illusie te denken dat alleen de melding, dat het Openbaar Ministerie heeft besloten natuurlijke personen te vervolgen, niet zou leiden tot de publieke wetenschap dat verdachte daarvan er een was. Om die reden is besloten in het persbericht te benoemen dat het gaat om twee directieleden van bedrijf 1. Namen noch initialen zijn genoemd, dus daarmee is in het geheel geen inbreuk gemaakt op de beginselen van een goede procesorde.

Ook de vermelding welke verwijten het Openbaar Ministerie hen maakt, kan niet tot de conclusie leiden dat de onschuldpresumptie is geschonden. Door het woord ‘verwijten’ te gebruiken, wordt geen blijk gegeven verdachte bij voorbaat als schuldig aan te merken. Ook door deze woordkeuze is dus geen inbreuk gemaakt op de onschuldpresumptie.

Met betrekking tot de verdenking van de valsheid in geschrift en de opzettelijk gedane belastingaangiften is het niet hoogst onaannemelijk dat de strafrechter, later oordelend, het ten laste gelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.
 

Beoordeling rechtbank 

De rechtbank overweegt dat de wijze van berichtgeving door het Openbaar Ministerie in het persbericht van 18 juli 2017 een schending oplevert van artikel 6 lid 2 EVRM, maar zal daar niet de consequentie aan verbinden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging.

Bij de beoordeling van de stelling van de verdediging, dat de onschuldpresumptie is geschonden, is het criterium waaraan getoetst moet worden, dat mededelingen van het Openbaar Ministerie wat betreft de inhoud van de informatie en hun toonzetting moeten voldoen aan de terughoudendheid en zakelijkheid die in het licht van artikel 6 lid 2 EVRM, mede gelet op de uitwerking daarvan in richtlijnen, onder de gegeven omstandigheden van het Openbaar Ministerie gevergd mogen worden. De rechtbank houdt in deze zaak rekening met de volgende omstandigheden.

Allereerst is in het persbericht een functie-aanduiding opgenomen, die rechtstreeks tot verdachte is te herleiden. Dit is ook als zodanig door de pers opgepikt. Ten tweede wordt in de tekst van het persbericht weliswaar gesproken over ‘dagvaarden’ en ‘verwijten’, maar wordt verder geen enkele terughoudendheid betracht ten aanzien van de strafbare feiten die volgens het Openbaar Ministerie zijn gepleegd en degenen die daarvoor volgens het Openbaar Ministerie verantwoordelijk zijn. Ten derde wordt in hetzelfde persbericht bericht over een schikking met bedrijf 1 en wordt gesproken over een boete die aan die rechtspersoon is opgelegd – hetgeen strikt juridisch overigens onjuist is. Ten slotte ontbreekt in het uitgebreide persbericht een opmerking dat het aan de rechter is om de feiten vast te stellen en te bepalen of en wie daaraan schuldig zijn.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank – zelfs binnen het summiere karakter van de bezwaarschriftprocedure – vaststellen dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dat artikel biedt meerdere mogelijkheden om op een onherstelbaar vormverzuim te reageren, waaronder niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Deze sanctie beoogt het recht op een eerlijk proces te waarborgen. Artikel 6 van het EVRM beoogt dit ook. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat bij de beoordeling, of er nog sprake is van een eerlijk proces, moet worden gekeken naar het proces als geheel. In deze zaak is sprake van externe uitlatingen van het Openbaar Ministerie die schadelijk zijn voor verdachte en voor de strafrechtpleging in het algemeen, maar die op zichzelf niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat er voor verdachte in het geheel geen eerlijk proces meer mogelijk is. De sanctie van niet-ontvankelijkverklaring is daarom niet aangewezen. Dit laat echter onverlet dat andere rechtsgevolgen verbonden kunnen worden aan dit vormverzuim. De primaire stelling van de verdediging dat het vormverzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt echter verworpen.

Ten aanzien van de subsidiaire stelling van de verdediging, geldt het volgende. Door het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn uitgebreide standpunten ingenomen ten aanzien van de vermeende valsheid van de realisatieovereenkomst, de wetenschap daarvan en het opzet daarop dat bij verdachte aanwezig zou zijn geweest. Gelet op deze standpunten en de inhoud van het dossier kan de rechtbank op dit moment niet vaststellen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het ten laste gelegde geheel of ten dele bewezen zal achten. Ook de subsidiaire stelling van de verdediging wordt dus verworpen.

Het voorgaande betekent dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

 

Print Friendly and PDF