Samenloop ontnemingsmaatregel en schadevergoedingsmaatregel

Rechtbank Noord-Holland 2 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:811

Bij vonnis van deze rechtbank en kamer van 2 februari 2018 is aan verdachte als schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 31.266,= ten behoeve van de gemeente Zaanstad. Dit bedrag betreft geld, dat door de gemeente Zaanstad in de vorm van subsidies is verstrekt aan de stichting waar veroordeelde in dienst was en dat door veroordeelde is verduisterd.

De onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ziet op dit zelfde geld. Dit roept de vraag op hoe de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zich verhoudt met de in de hoofdzaak opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Op grond van artikel 36e, lid 9 Sr dient bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f Sr in mindering te worden gebracht, voor zover die is voldaan. Nu door veroordeelde nog geen betaling aan de Staat in het kader van de schadevergoedingsmaatregel is voldaan, is er thans geen bedrag dat in mindering zou moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank wijst in dit verband voorts op artikel 577b, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van de veroordeelde de rechter het ontnemingsbedrag kan verminderen of kwijtschelden, waarbij de rechter tevens kan bepalen dat een reeds betaald of verhaald bedrag aan een door hem aangewezen (benadeelde) derde zal worden uitgekeerd.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF