Salduz, art. 6 EVRM, rechtsbijstand, bewijsuitsluiting

Hoge Raad 22 mei 2012, LJN BW5640

 

Verdachte gaat in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 juli 2010.
Het Hof heeft de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering betrokken. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaring van verdachte dient te worden uitgesloten nu er aan verdachte, die zich vrijwillig meldde en vervolgens werd aangehouden en gedetineerd werd, niet de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen voor zijn eerste verhoor teneinde zijn verdediging in te richten. Daarbij wordt de verklaring van verdachte niet ondersteund door enig ander rechtmatig bewijsmiddel. Het hof heeft vastgesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, nu verdachte nadat hij was aangehouden is gehoord zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld om een raadsman te raadplegen. Echter, de omstandigheid dat verdachte de gelegenheid heeft gehad zelf een advocaat te raadplegen voordat hij zich bij de politie meldde, maakt dat het hof niet zal overgaan tot bewijsuitsluiting.
De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit LJN BH3079. Uit deze uitspraak volgt dat een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, zoals in onderhavige zaak door het hof vastgesteld, behoudens een tweetal door de Hoge Raad genoemde uitzonderingen (dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand en het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken), zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Het hof heeft dit miskend door enkel te overwegen dat het niet zal overgaan tot bewijsuitsluiting nu de verdachte de gelegenheid heeft gehad om een advocaat te raadplegen voordat hij zich meldde bij de politie en werd aangehouden. Uit die omstandigheid kan immers niet volgen dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand na zijn aanhouding, dan wel dat er sprake was van een dwingende reden om dat recht te beperken.
De  Hoge Raad oordeelt dat dit strekt tot vernietiging van het arrest waarvan beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF