Rechtbank Overijssel spreekt man vrij van BTW/belastingfraude

Rechtbank Overijssel 9 juli 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:1415

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen verdachte ten laste is gelegd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde opgeven van een te laag belastbaar bedrag, aangezien verdachte in zijn opgaven OB het kwartaalbedrag aan levering/diensten met (toen nog) 19% BTW op de voorgeschreven wijze heeft verantwoord, namelijk door middel van opgave van het belastbaar bedrag, zodat van het opgeven van een te laag belastbaar bedrag geen sprake is geweest.

De verdediging heeft daarnaast geconcludeerd tot vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde onjuist opgeven van het bedrag aan belasting, aangezien daarmee niets anders bedoeld kan worden dan het bedrag aan belasting over het belastbare bedrag, welke opgave juist is gedaan.

De verdediging heeft subsidiair geconcludeerd tot vrijspraak op grond van het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt de primaire verweren van de verdediging tot vrijspraak. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat volgens vaste jurisprudentie de in de telastelegging genoemde term “het bedrag aan belasting” staat voor het bedrag dat resteert na aftrek van de voorbelasting.

De rechtbank ziet zich thans voor de beantwoording van de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte opzettelijk de BTW als vooraftrek heeft opgenomen in zijn aangiften OZB, terwijl hij daarbij niet te goeder trouw was. Met andere woorden, wist verdachte of had hij moeten weten dat hij de vooraftrek in zijn aangiften niet in rekening mocht brengen?

De rechtbank is van oordeel dat daartoe onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreken in het strafdossier de vereiste objectieve elementen waaruit de wetenschap, althans het ‘had moeten weten’ van verdachte ten aanzien van de BTW-fraude kan worden afgeleid. Weliswaar bevat het strafdossier aanwijzingen welke belastend kunnen worden uitgelegd voor verdachte, maar die aanwijzingen leiden niet tot ondubbelzinnig wettig bewijs dat verdachte te kwader trouw was bij het toepassen van de vooraftrek in zijn aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank is niet genoegzaam komen vast te staan dat verdachte wist, althans had moeten weten, dat met zijn betaling van een aankoopbedrag van één of meer auto’s aan het bedrijf van medeverdachte sprake was van een onverklaarbare prijsval ten opzichte van het door het bedrijf van medeverdachte in Duitsland tegen het zogenaamde 0%-tarief betaalde inkoopbedrag van de betreffende auto(‘s), en verdachte desondanks in zijn aangiften de vooraftrek van BTW heeft toegepast. Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit objectieve elementen dat verdachte wist of had moeten weten dat het bedrijf van medeverdachte zijn intracommunautaire transacties niet opgaf en /of de bij verdachte in rekening gebrachte BTW niet aangaf en afdroeg.

De verdachte behoort dan ook te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF