Rechtbank: in art. 591a Sv wordt met het begrip ‘zaak’, tenzij nadrukkelijk anders wordt bepaald, de strafzaak bedoeld en niet ook de procedure ex artikel 164, lid 8 WvW 1994

Rechtbank Limburg 10 juli 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:4200

Feiten

Op 4 juli 2012 werd het rijbewijs van verzoekster door de politie ingevorderd. Vervolgens heeft de officier van justitie op 9 juli 2012 beslist dat het rijbewijs voor een periode van zes maanden diende te worden ingehouden.

Op 16 juli 2012 diende verzoekster een klaagschrift in, strekkende tot teruggave van het ingehouden rijbewijs. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht d.d. 31 juli 2012 werd het beklag gegrond verklaard.

Vervolgens werd op 18 augustus 2012 het onderhavige verzoek ingediend.

Op 18 maart 2013 werd verzoekster door de politierechter veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994. Ze werd veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, subsidiair acht dagen hechtenis.

Standpunt verzoekster

Primair heeft de raadsman gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2009, LJN BG2191. In deze zaak zou de Hoge Raad hebben geoordeeld dat artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is bij een gegrondverklaring van een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman ziet niet in waarom er op dit punt een onderscheid zou moeten bestaan tussen de procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en die op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Subsidiair heeft de raadsman gewezen op het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 28 maart 2008, LJN BD7082. In die zaak zou de inhouding van het rijbewijs door de officier van justitie onrechtmatig zijn geweest en vond er een vergoeding plaats op grond van artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

In het onderhavige geval zou de (verdere) inhouding van het rijbewijs door de officier van justitie eveneens onrechtmatig zijn geweest. De officier van justitie had het rijbewijs immers op grond van het zesde lid van deze bepaling moeten teruggeven, omdat hij ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat aan verzoekster, in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, geen onvoorwaardelijke rijontzegging zou worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke rijontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden was geweest.

Standpunt officier van justitie

Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de wet geen grondslag biedt voor het verzoek. Het onderscheid dat bestaat tussen artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ten aanzien van de toepassing van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering zou volgen uit de wet.

Subsidiair heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de inhouding van het rijbewijs door de officier van justitie niet onrechtmatig is geweest, nu gehandeld zou zijn conform de richtlijnen van het openbaar ministerie.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat in deze bepaling met het begrip ‘zaak’, tenzij nadrukkelijk anders wordt bepaald, de strafzaak wordt bedoeld en niet ook de procedure ex artikel 164, lid 8, van de Wegenverkeerswet 1994. Bij deze procedure is immers geen sprake van ‘oplegging van straf of maatregel’ of van ‘gewezen verdachte’.

Bij de procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering is evenmin sprake van ‘oplegging van straf of maatregel’ of van ‘gewezen verdachte’, terwijl artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering bij een gegrondverklaring in een dergelijke beklagzaak wél van toepassing is. Het verschil is echter gelegen in het feit dat artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, anders dan artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994, op grond van artikel 591a, lid 4, juncto artikel 591, lid 5, van het Wetboek van Strafvordering expliciet van overeenkomstige toepassing is verklaard.

Nu verzoekster door de politierechter werd veroordeeld tot een geldboete van € 400,00 is de zaak niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal verzoekster dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat een vergoeding zou kunnen plaatsvinden op grond van artikel 164, lid 9, van de Wegenverkeerswet 1994. Deze bepaling luidt als volgt:

‘Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor de toepassing van het eerste of vierde lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 89, derde tot en met zesde lid, 90, 91 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.’

Mocht het al zo zijn dat het gaat om een feit waarvoor de toepassing van artikel 164, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 niet is toegelaten, omdat de officier van justitie op grond van het zesde lid van deze bepaling het rijbewijs aan verzoekster had moeten teruggeven, dan nog is artikel 164, lid 9, van deze wet in deze zaak niet van toepassing, nu deze bepaling ziet op vergoeding van schade en niet op het toekennen van de kosten van een raadsman.

Gelet hierop zal de rechtbank verzoekster eveneens niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek voor zover dat is gebaseerd op artikel 164, lid 9, van de Wegenverkeerswet 1994.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF