RC moet niet al te strikt en formalistisch met onderzoekswensen, zoals getuigenverzoeken, omgaan

Rechtbank Overijssel 7 januari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:89

De raadsvrouw maakt, namens klager, bezwaar tegen de beschikking van de rechter-commissaris tot afwijzing van het verzoek d.d. 7 november 2014 en het aanvullende verzoek d.d. 26 november 2014 ex art. 182 Sv tot het horen van getuigen en heeft ter zitting het bezwaarschrift toegelicht. De raadsvrouw heeft hierbij een pleitnota overgelegd.

De raadsvrouw is van mening dat de rechter-commissaris ten onrechte heeft geoordeeld dat voor wat betreft de verzochte getuigen 2, 3, 4 en 7 ‘verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, omdat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuigen meer dan zeventien (of vijftien) jaar later nog kunnen verklaren over welk goud en/of welke sieraden als huwelijksgeschenk zijn gegeven’.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. De verzochte getuige 1 is medeverdachte en is in dat kader al talloze malen gehoord. Van de verzochte getuige 2 zijn nog steeds niet de persoonsgegevens opgegeven door de verdediging.

Het huwelijk heeft in 1999 plaatsgevonden en volgens de Zigeunerwet in 1996. Het horen van getuigen over deze gebeurtenis heeft geen toegevoegde waarde, omdat zij niets kunnen verklaren over de bruidsschat. Juist deze sieraden zijn ingeleverd bij de juwelier.

Beoordeling

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 4 december 2014 beslist dat het verzoek voor wat betreft de verzochte getuigen 2, 3, 4 en 7 wordt afgewezen omdat verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, omdat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuigen meer dan zeventien (of vijftien) jaar later nog kunnen verklaren over welk goud en/of welke sieraden als huwelijksgeschenk zijn gegeven.

Op basis van het op 1 januari 2013 in werking getreden artikel 182, eerste lid, Sv kan een verdachte de RC verzoeken onderzoekshandelingen te verrichten. Het verzoek behelst een opgave van het feit en van de onderzoekshandelingen, die door de rechter-commissaris dienen te worden verricht, en is met redenen omkleed.

De rechtbank stelt vast dat de raadsvrouw van verzoeker in haar brief aan de rechter-commissaris van 7 november 2014 en haar aanvullende faxbericht van 26 november 2014 onder opgave van het parketnummer en de naam van verdachte onder meer verzocht heeft om het horen van getuigen die aanwezig waren bij het huwelijk van klager en kunnen verklaren over de cadeaus die aan klager en zijn vrouw zijn gegeven.

De bedoeling van de nieuwe op 1 januari 2013 in werking getreden regeling is naar de letter en strekking van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid, dat de voorgestelde regeling eenvoudiger van opzet is dan de mini-instructie die zij vervangt. Met het oog op een efficiënte behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het naar het oordeel van de wetgever onwenselijk om verzoeken van de verdediging (of de officier van justitie) eerst tijdens de zitting aan de orde te stellen. Het doel dat de wetgever met de nieuwe regeling heeft willen bereiken, is dat het strafproces zo soepel en efficiënt mogelijk verloopt door kenbaar gemaakte onderzoekswensen al in een vroeg stadium door de rechter-commissaris te laten uitvoeren. Het feit dat niet al te strikt en formalistisch met onderzoekswensen moet worden omgegaan, wordt ook geïllustreerd in het feit dat verzoeken slechts worden afgewezen ‘indien de gevraagde onderzoekshandeling, niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing’ (MvT, p. 16). Daaruit spreekt de ruimte die de verdediging toekomt bij het horen van bijvoorbeeld getuigen.

Uit de toelichting op het verzoek volgt dat de getuigenverhoren in het belang van de verdediging geacht worden en dus relevant zijn voor enige in de zaak te nemen beslissing.

De rechtbank is van oordeel dat de door de rechter-commissaris aan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de verzochte getuigen 2, 3, 4 en 7 ten grondslag gelegde motivering dat ‘redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuigen meer dan zeventien (of vijftien) jaar later nog kunnen verklaren over welk goud en/of welke sieraden als huwelijksgeschenk zijn gegeven’, onjuist is. Zonder nadere motivering die ontbreekt, heeft de rechter-commissaris hiermee naar het oordeel van de rechtbank al een voorschot genomen op de door deze getuigen af te leggen verklaringen.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF