Rb veroordeelt een rechtspersoon voor valsheid in geschrift, opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift en oplichting (van RVO) tot een geldboete van 10.000 euro

Rechtbank Oost-Brabant 6 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4888

Verdachte is als tussenpersoon opgetreden tussen RVO en een aantal MKB-ers, ter verkrijging van subsidies in het kader van het subsidieprogramma Mobiliteitsvoucher. Verdachte heeft door de verzilvering van de grote vouchers op naam van een twintigtal MKB-ers subsidies verkregen voor geleverde goederen of diensten. In de namens verdachte aan RVO verstrekte stukken werd in strijd met de waarheid de indruk gewekt dat namens verdachte of door de MKB-ers activiteiten waren verricht in het kader van het subsidieprogramma en het daarvan onderdeel uitmakende implementatietraject. In werkelijkheid handelde verdachte niet namens de MKB-ers maar ten behoeve van zichzelf. Namens verdachte zijn valse vaststellingsformulieren ingevuld, ondertekend en vergezeld van de bij die vaststellingsformulieren behorende bijlagen naar RVO verzonden. 

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

In de pleitnota heeft de raadsman gesteld dat beide bestuurders van verdachte als feitelijk leidinggevers worden vervolgd voor de feiten die verdachte worden verweten. Nu deze feitelijk leidinggevers zodanig te vereenzelvigen zijn met verdachte is er – naar het oordeel van de raadsman – sprake van een dubbele bestraffing van verdachte door zowel verdachte als haar bestuurders te vervolgen. Een dergelijke vervolging is in strijd met het “ne bis in idem beginsel”. Op grond hiervan verzoekt de raadsman aan de rechtbank om de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

Op grond van de huidige wetgeving is het toegestaan zowel de rechtspersoon als haar bestuurders als feitelijk leidinggevers voor dezelfde feiten te vervolgen. Het door de raadsman gedane beroep op niet ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 51 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat voor een strafbaar feit begaan door een rechtspersoon, zowel de rechtspersoon als de personen die feitelijk leiding aan het strafbare feit hebben geven, kunnen worden vervolgd. Noch uit de wet noch uit de thans geldende jurisprudentie volgt dat de rechtspersoon niet kan worden vervolgd indien ook de bestuurders van die rechtspersoon als feitelijk leidinggevers worden vervolgd voor dezelfde feiten. Nu hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen steun vindt in het recht, verwerpt de rechtbank het door de raadsman gedane beroep op niet ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bewijsoverweging

De moedwillige misleiding van RVO door verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir weergegeven gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte bewust valse vaststellingsformulieren met de daarbij behorende bijlagen naar RVO heeft gezonden omdat verdachte wist dat de in de vaststellingsformulieren bedoelde implementatie niet had plaatsgevonden en de in de tenlastelegging genoemde MKB-ers geen toezegging hadden gedaan tot implementatie over te gaan. Sommige van die MKB-ers hadden zelfs laten weten geen gebruik te willen maken van de grote voucher. Desondanks heeft verdachte de grote vouchers ter verzilvering aangeboden. De officier van justitie is van oordeel dat verdachte bewust valse informatie naar RVO heeft opgestuurd.

Het standpunt van de verdediging

Op de in de pleitnota nader omschreven gronden heeft de raadsman aangevoerd dat RVO bekend was met de door verdachte gehanteerde werkwijze bij de verzilvering van de grote vouchers en dat daarover veelvuldig contact is geweest tussen RVO en verdachte. Uit de correspondentie tussen de bestuurder van verdachte en RVO emailberichten pag. 646-648 blijkt dat verdachte heeft aangegeven dat de aan RVO gezonden facturen vooraf niet betaald zouden zijn. Hierop baseert de raadsman zijn verweer dat er geen sprake is van moedwillige misleiding door verdachte van RVO. De raadsman bepleit dat verdachte van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de inhoud van het procesdossier en uit de door de bestuurders van verdachte, te weten persoon 1 en persoon 2, afgelegde verklaringen, blijkt dat zij namens een twintigtal bedrijven vaststellingsformulieren bij RVO hebben ingediend ter verzilvering van de grote voucher. In die vaststellingsformulieren en de daarbij gevoegde stukken, wordt verklaard dat verdachte verdachte het implementatietraject bij de betreffende MKB-ers heeft afgerond en dat daarbij subsidiabele kosten zijn gemaakt. Ter ondersteuning daarvan heeft verdachte facturen van deze kosten meegezonden, de indruk wekkende dat die kosten ook daadwerkelijk waren gemaakt. persoon 1 en persoon 2 hebben echter beiden verklaard dat het implementatietraject nog niet had plaatsgevonden op het moment dat de vaststellingsformulieren aan RVO werden toegezonden en dat de aan de MKB-ers gefactureerde subsidiabele kosten niet waren gemaakt. Door deze handelwijze heeft verdachte aan RVO opzettelijk een andere dan de werkelijke situatie voorgespiegeld. Door het feitelijk handelen van verdachte werd RVO opzettelijk misleid.

De rechtbank verwerpt het hiertegen door de raadsman gevoerde verweer.

De toerekenbaarheid van de ten laste gelegde gedragingen aan verdachte

Het standpunt van de raadsman

Op de in de pleitnota nader omschreven gronden heeft de raadsman van verdachte geconcludeerd dat de ten laste gelegde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend omdat verdachte een holdingmaatschappij is waarin doorgaans geen feitelijke handelingen worden verricht buiten de betaling van de salarissen aan de bestuurders van verdachte. De feitelijke activiteiten vinden doorgaans in werkmaatschappijen plaats. Weliswaar kan verdachte als geadresseerde van de ten laste gelegde feiten worden aangemerkt, maar de leer van de redelijke toerekening verzet zich er tegen dat de in de tenlastelegging genoemde gedragingen aan verdachte worden toegerekend. Gelet hierop dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de ten laste gelegde gedragingen zijn gepleegd door personen uit hoofde van hun dienstbetrekking bij verdachte en dat de gedragingen van die personen pasten bij de bedrijfsuitoefening van verdachte en dienstig zijn geweest aan verdachte. Hieruit concludeert de officier van justitie dat de ten laste gelegde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 23 augustus 2016 is de rechtbank – kort en zeer zakelijk weergegeven – gebleken dat de natuurlijke personen persoon 1 en persoon 2, die beiden bestuurders van verdachte waren, namens verdachte valse vaststellingsformulieren met bijlagen hebben ingediend bij RVO met de bedoeling om RVO te bewegen tot uitbetaling van subsidiegelden over te gaan in het kader van het subsidieprogramma Mobiliteitsvoucher door grote vouchers ter uitbetaling aan te bieden. Deze handeling paste in de normale bedrijfsuitvoering van verdachte nu verdachte en niet een van de werkmaatschappijen van verdachte, door RVO als erkend mobiliteitsadviseur was aangewezen.

De door RVO toegekende subsidies aan de hand van de door persoon 1 en persoon 2 ingediende valse vaststellingsformulieren met bijlagen, zijn aan verdachte overgemaakt. De opbrengst van het handelen van persoon 1 en persoon 2 is dan ook aan verdachte ten goede gekomen en was daardoor dienstig aan het door verdachte uitgeoefende bedrijf. Nu persoon 1 en persoon 2 deze handelingen opzettelijk hebben verricht en verdachte dat handelen heeft aanvaard, rekent de rechtbank het opzet waarmee persoon 1 en persoon 2 hebben gehandeld ook aan verdachte toe.

De rechtbank verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer dat de ten laste gelegde gedragingen niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit1: Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: Opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

De onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feiten zijn in voortgezette handeling gepleegd. 

Feit 3: Oplichting, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Hoewel in de tenlastelegging slechts zes van de twintig ten onrechte ter verzilvering aangeboden grote vouchers zijn genoemd, houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafsoort en de hoogte van de straf rekening met het totaal van door RVO ten onrechte aan naam bedrijf gedane betalingen op grond van alle twintig ten onrechte ingediende grote vouchers tot een totaalbedrag van € 80.000,--, zoals daarvan uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting van 23 augustus 2016 is gebleken. Daardoor is de Nederlandse Staat en daarmee ook de Nederlandse gemeenschap in het algemeen en RVO in het bijzonder benadeeld.

Verdachte heeft zich op doortrapte, oneigenlijke wijze, subsidiegelden toegeëigend. Die gelden heeft verdachte gebruikt om haar bedrijfsvoering te kunnen betalen. Bij de verzilvering van de grote vouchers heeft verdachte immers gebruik gemaakt van de gegevens van die MKB-ers waarvan bij verdachte bekend was dat deze MKB-ers niet aan de implementatie van het mobiliteitsprogramma wilden deelnemen. Daarmee was de kans dat deze MKB-ers ooit bij RVO naar de stand van zaken over het toekennen van subsidies zouden informeren, nagenoeg nihil. De kans dat het hiervoor bewezen verklaarde handelen aan het licht zou komen en dat zou blijken dat RVO ten onrechte subsidiegelden aan verdachte had uitbetaald, was daarmee zeer klein. Dat deze handelingen desondanks aan het licht zijn gekomen is min of meer op toeval gebaseerd geweest en niet omdat verdachte tot inkeer is gekomen of het verwerpelijke karakter van haar handelen had ingezien.

Strafmatigende omstandigheden

Verdachte is niet eerder voor feiten, soortgelijk aan de bewezen verklaarde feiten veroordeeld. Bovendien heeft verdachte het ten onrechte ontvangen geldbedrag van € 80.000,-- inmiddels terug betaald. Daarmee heeft verdachte de nadelige gevolgen van haar handelen ongedaan gemaakt.

De strafmodaliteit

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke geldboete aan verdachte een passende straf is. De rechtbank zal deze voorwaardelijke geldboete op een lager bedrag vaststellen dan het door de officier van justitie gevorderde bedrag. Oplegging van een dergelijke geldboete brengt enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten voldoende tot uitdrukking en anderzijds wordt daarmee invloed uitgeoefend op het gedrag van de verdachte in een poging het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,-- met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden is.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF