Rb: H. heeft zich in de periode dat hij gedeputeerde was van de provincie Noord-Holland meerdere malen als ambtenaar laten omkopen en uit misdrijf verkregen gelden witge-wassen

Rechtbank Noord-Holland 3 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11551

Op 4 juli 2001 ondertekent verdachte daartoe samen met zijn echtgenote, medeverdachte 1, een overeenkomst met de Belastingdienst om de weg vrij te maken voor zijn wethouderschap in Amsterdam. In deze “ruling” wordt overeengekomen dat tijdens de wethoudersperiode geen enkele bedrijfsactiviteit mag worden verricht door bedrijf 2 en ook niet door bedrijf 1. In feite mogen uitsluitend noodzakelijke administratieve handelingen worden verricht om wettelijke verplichtingen na te komen. Verdachte dient af te treden als directeur en alle aandelen in bedrijf 2 te verkopen aan zijn echtgenote met wie hij buiten gemeenschap van goederen is gehuwd. Behoudens het door de gemeente Amsterdam uitgekeerde salaris en vergoedingen mag het wethouderschap in de betreffende periode op geen enkele wijze leiden tot voordelen voor bedrijf 2, bedrijf 1, de echtgenote van verdachte of verdachte zelf. Ook mogen in die periode geen uit het wethouderschap voortvloeiende toezeggingen of afspraken worden gemaakt, die opdrachten c.q. voordelen voor bedrijf 2, bedrijf 1, echtgenote van verdachte of verdachte zelf tot gevolg hebben in de periode na het wethouderschap.

Verdachte heeft meerdere keren verklaard dat deze regeling met de Belastingdienst nog immer van kracht is en ook was tijdens de periode dat hij lid was van Provinciale Staten en gedeputeerde was van de Provincie Noord-Holland.

Bij het aanvaarden van de functie van gedeputeerde schreef verdachte op 7 januari 2005 aan de Commissaris der Koningin, betrokkene 23, dat hij aan zijn advocaten opdracht heeft gegeven aan al zijn zakelijke activiteiten een einde te maken opdat hij het ambt van gedeputeerde geheel vrij kan beginnen en om zoveel mogelijk iedere gesuggereerde toekomstige schijn van belangenverstrengeling te elimineren. Hij meldt daarin tevens dat hij eerder gebruik heeft gemaakt van het recht met de fiscus een zogenaamde ruling te treffen , waardoor zijn echtgenote nu alle aandelen van bedrijf 2 en aan haar gelieerde ondernemingen in haar bezit heeft. Verdachte noemt daarin 5 functies die hij graag wil behouden: lid raad van Toezicht bedrijf 46, Commissaris bedrijf 47, Lid Adviesraad bank 4, Voorzitter Adviescollege bedrijf 24 en Voorzitter Adviesraad bedrijf 48. Tevens noemt hij het voorzitterschap van de stichting vrienden Mytyl- en Tyltylschool, Stichting Hart voor het Vondelpark en lidmaatschap van de Advisoryboard Amsterdam Admirals.

In de brieven die verdachte vervolgens op 9 januari 2005 aan relaties stuurt, waaronder bedrijf 3 en bedrijf 5, schrijft hij dat de contractuele verplichtingen van bedrijf 1 worden opgeschort tot na de eerstvolgende verkiezingen medio 2007 als hij terugtreedt als gedeputeerde. Tevens geeft hij aan dat hij zijn werkzaamheden voor bedrijf 1 beëindigt met ingang van 10 januari 2005. Eén en ander ter vermijding van iedere schijn van belangenverstrengeling dan wel tegenstelling.

In werkelijkheid blijft verdachte advieswerkzaamheden verrichten voor diverse bestaande cliënten, maar ook voor nieuwe cliënten. In de overeenkomst die verdachte op 1 oktober 2006 sluit met betrokkene 8 wordt overeengekomen dat verdachte namens bedrijf 1 als Voorzitter van de Raad van Toezicht en Advies zal optreden namens bedrijf 15. In deze overeenkomst wordt formeel opgemerkt dat bedrijf 1 geen betaald advieswerk zal leveren met betrekking tot zaken waar de provincie Noord-Holland als partij een rol speelt. Uit voorgaande overwegingen, bijvoorbeeld ten aanzien van het huisbankierschap, blijkt dat deze opmerking in de overeenkomst slechts een papieren opmerking betrof.

Verdachte heeft voorts verklaard dat er in de praktijk binnen bedrijf 1 drie dingen plaatsvonden: 1. Het nog ontvangen van betalingen die hun grondslag hadden in een contract dat gesloten was voorafgaand aan het gedeputeerdeschap. 2. Het ontvangen van vaste vergoedingen voor commissariaten. 3. Incidentele adviezen.

Personen of bedrijven waar hij voorheen, in het verleden, zaken mee deed, bleef hij met het oog op de toekomst, voorzien van extra informatie over zaken die de provincie als orgaan niet raakten. Tevens adviseerde hij bedrijven als bedrijf 8, bedrijf 11 en bedrijf 14. Voor deze adviezen vroeg hij betaling aan deze bedrijven. Verdachte meldde deze activiteiten niet bij de provincie.

Verdachte heeft formeel een beeld gecreëerd, dat hij geen advieswerkzaamheden vanuit bedrijf 1 verrichtte, gelet op de brieven aan de Commissaris der Koningin, de overeenkomst met de Belastingdienst en de brieven aan de bedrijven, die hij adviseerde bij aanvang van zijn gedeputeerdenschap. De werkelijkheid was echter volstrekt anders. Blijkens zijn verklaringen bleef verdachte aan bedrijven adviseren en ook, zoals uit het voorgaande blijkt, aan bedrijven die werkzaam waren op het grondgebied van de provincie Noord-Holland en daar belangen hadden.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2004 tot en met 6 juli 2009 schuldig gemaakt aan vier gevallen van ambtelijke corruptie, het (laten) opmaken van een groot aantal valse facturen en witwassen terwijl hij lid van de Provinciale Staten en vervolgens gedeputeerde van de provincie Noord-Holland was. Hij heeft hiervoor onder meer gebruik gemaakt van zijn bedrijf bedrijf 1, dat hij op naam van zijn vrouw heeft laten zetten, alsmede van het bedrijf van een bevriende makelaar. Door het versturen van deze valse facturen verkreeg hij geldbedragen en/of beloften van bedrijven die er belang bij konden hebben dat verdachte hen als statenlid dan wel gedeputeerde minstens goedgezind zou zijn.

Voor een goed functioneren van een democratische samenleving is het van belang dat burgers vertrouwen hebben in het openbaar bestuur en de objectiviteit van overheidsbeslissingen. Door zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen dat burgers moeten kunnen hebben in een integere overheid geschaad. Dit geldt temeer nu van verdachte als gedeputeerde een bijzondere voorbeeldfunctie uitging. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij eigen winstbejag kennelijk zwaarder heeft laten wegen dan dit belang. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting laten blijken het laakbare van zijn handelen niet in te zien.

De rechtbank heeft anderzijds bij het vaststellen van de strafmaat rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Hij en zijn gezin zijn door de grote media-aandacht voor het strafrechtelijk onderzoek en het strafproces getroffen. Verdachte heeft financiële problemen en moeite om een functie te vinden op het niveau dat hij gewend was.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening heeft gehouden met het feit dat zij verdachte van feit 5 heeft vrijgesproken en verdachte heeft ontslagen van rechtsvervolging ten aanzien van het witwassen van twee geldbedragen, die tezamen een wezenlijk deel van het totale ten laste gelegde bedrag vormen.

De rechtbank veroordeelt Ton H. tot een gevangenisstraf van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF