Rb.: Geen strafrechtelijke immuniteit gemeente in het kader van haar taak als wegbeheerder

Rechtbank Utrecht 10 oktober 2012, LJN BX9622 De gemeente was gedagvaard voor dood door schuld, wegens slecht wegonderhoud, waardoor in 2009 twee motorrijdsters om het leven waren gekomen. De gemeente heeft bezwaar aangetekend tegen deze dagvaarding.

De rechtbank in Utrecht heeft vandaag geoordeeld dat het bezwaar van de gemeente tegen de dagvaarding ongegrond is.

Het bezwaar houdt het volgende in:

Gelet op de feiten dat

(a) de Gemeente een openbaar lichaam is in de zin van hoofdstuk 7 Grondwet,

(b) de ten laste gelegde gedragingen het verwijt betreft dat de Gemeente in het kader van haar taak als wegbeheerder niet heeft besloten feitelijk onderhoud aan de Nieuweweg te (doen) plegen en/of passende verkeersmaatregelen te (doen) nemen en

(c) deze gedragingen niet anders dan door de Gemeente kunnen worden verricht,

komt de Gemeente strafrechtelijke immuniteit toe en dient de officier van justitie in de vervolging niet ontvankelijk te worden verklaard. Deze conclusie wordt onder meer ondersteund door de (nadere) invulling die de Hoge Raad in zijn arrest van 6 januari 1998, LJN AA9342 (Pikmeer II-criterium), aan de strafrechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen heeft gegeven.

Geen doorbreking strafrechtelijk immuniteit van de gemeente

De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zoals bijvoorbeeld het in de zaak Öneryildiz tegen Turkije (LJN AS2641), biedt geen grondslag om de strafrechtelijk immuniteit van de Gemeente in de onderhavige zaak te doorbreken. Deze conclusie wordt ondersteund door het feit dat de Hoge Raad in arresten, gewezen na genoemde uitspraak van het EHRM, het Pikmeer II-criterium is blijven toepassen. Ook het Openbaar Ministerie neemt in haar Aanwijzing voor de opsporing en vervolging van overheden nog steeds het Pikmeer II-criterium als uitgangspunt. Mocht het Openbaar Ministerie (thans) vinden dat zij een ruimere vervolgingsbevoegdheid heeft, dan is dit in strijd met haar eigen aanwijzingen. Bovendien zou een van het Pikmeer II-criterium afwijkende strafrechtelijke aansprakelijkheid in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel. Voor de Gemeente is/was namelijk niet, althans onvoldoende, voorzienbaar dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van openbare lichamen door Europese rechtspraak (mogelijk) ruimer zou zijn dan uit het bekende Pikmeer II-criterium volgt.

Het standpunt van de officier van justitie

Gemeente strafrechtelijk vervolgbaar voor niet uitvoeren van voldoende onderhoud en/of het niet nemen van voldoende verkeersmaatregelen

Anders dan door de Gemeente wordt gesteld, zien de ten laste gelegde verwijten niet op gedragingen betreffende (gebrekkige) besluitvorming in het kader van het wegbeheer. Het “nalaten” dat in de tenlastelegging is omschreven heeft namelijk betrekking op het feitelijk gedrag van de Gemeente, te weten het niet uitvoeren van voldoende onderhoud aan de Nieuweweg en/of het niet nemen van voldoende verkeersmaatregelen. Om dat nalaten respectievelijk die feitelijke gedraging gaat het dus in de onderhavige strafzaak. In het licht hiervan en gegeven het feit dat het feitelijke onderhoud aan de weg (of het nalaten daarvan) en/of het nemen van verkeersmaatregelen (of het nalaten daarvan) ook door derden (niet openbare lichamen) kan/kunnen worden verricht, is de Gemeente - met in achtneming van het door de Hoge Raad geformuleerde Pikmeer II-criterium - strafrechtelijk vervolgbaar. Reeds daarom moet het bezwaar tegen de dagvaarding ongegrond worden verklaard.

In geval de gemeente in deze niet vervolgbaar zou zijn, zou dat in strijd kunnen zijn met art. 2 EVRM

Mocht de rechtbank anders oordelen, in die zin dat de Gemeente op grond van het Pikmeer II-citerium wel in de onderhavige zaak immuniteit toekomt, dan kan de jurisprudentie van het EHRM tot een andere uitkomst leiden. De tenlastelegging houdt immers in dat geen noodzakelijke maatregelen zijn genomen ter voorkoming van gevaar, als gevolg waarvan twee personen zijn overleden. Aanmerkelijke onzorgvuldigheid aan de zijde van de Gemeente is hiervan dus de oorzaak. In het geval de Gemeente in deze niet vervolgbaar zou zijn, zou dat in strijd kunnen zijn met het recht op leven, zoals neergelegd in art. 2 EVRM. Alsdan kan het zijn dat geen immuniteit geldt.

De beoordeling

Slechts strafrechtelijke immuniteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon indien sprake is van een exclusieve bestuurstaak

Het antwoord op de vraag in welke gevallen deze categorie rechtspersonen te vervolgen is (dus geen immuniteit toekomt), wordt uitdrukkelijk aan de rechtspraak overgelaten. De Hoge Raad heeft in haar Pikmeer II arrest de mogelijkheid om decentrale overheden te vervolgen verruimd. In dat arrest is overwogen dat vervolging van decentrale overheden alleen is uitgesloten wanneer de gedragingen in kwestie naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.

Voor strafrechtelijke immuniteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon is derhalve slechts ruimte als sprake is van wat algemeen wordt aangeduid als een exclusieve bestuurstaak (zie Hof Arnhem 24 september 2009, overweging 14, LJN AE7956).

De gemeente geniet ter zake van onderhoud van wegen geen immuniteit

De rechtbank onderscheidt ter zake van wegonderhoud gedragingen, die exclusief aan de Gemeente zijn voorbehouden en gedragingen die dat niet zijn.

In de Wegenwet is weliswaar bepaald dat het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap verplicht zijn openbare wegen te onderhouden en dat de gemeente ervoor heeft te zorgen dat binnen haar gebied liggende wegen in goede staat verkeren (artikel 15 en 16), maar daar staat tegenover dat het feitelijke onderhoud aan de openbare weg ook door derden, niet zijnde openbare lichamen, kan worden uitgevoerd. In zoverre kunnen derden ter zake van het onderhoud van openbare wegen op gelijke voet als de Gemeente aan het maatschappelijke verkeer deelnemen. Dat heeft de Gemeente ook niet bestreden. Deze conclusie wordt ondersteund door rechtsoverweging 5.5. in het Pikmeer II arrest.

De conclusie is dat een gemeente ter zake van onderhoud van wegen strafrechtelijk kan worden vervolgd, dus geen immuniteit geniet, als de gevolgen van dat onderhoud (mogelijk) een strafbaar feit opleveren.

Ook het nalaten om onderhoud te verrichten kan aanleiding geven tot strafrechtelijke vervolging

De volgende vraag die voorligt is of deze conclusie uitsluitend geldt voor daadwerkelijk verricht (gebrekkig) onderhoud of ook voor het nalaten om onderhoud te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat ook “het nalaten” om onderhoud te verrichten tot strafrechtelijke vervolging aanleiding kan geven als de gevolgen van dat nalaten strafbaar zijn gesteld. Daarvoor is redengevend dat ook een derde partij, niet zijnde een openbaar lichaam, die met het uitvoeren van onderhoud van een weg is belast, in de verplichting tot het uitvoeren van dat onderhoud kan tekortschieten, ook in die zin dat die derde partij nalaat om onderhoud te verrichten. In dat geval is het feitelijk nalaten om onderhoud te verrichten dus evenmin als een exclusieve bestuurstaak te betitelen. Dit alles geldt ook voor het nemen van (onjuiste) verkeersmaatregelen dan wel het nalaten daarvan. Deze taak kan de gemeente immers ook aan een derde partij uitbesteden. Het bepaalde in artikel 51 lid 2 onder 2° Sr staat aan het vorenstaande niet in de weg. In dat artikel(lid) wordt weliswaar gesproken over “een verboden gedraging”, maar de wetgever heeft onder dat begrip mede “een nalaten” willen brengen.

Conclusie: aan de gemeente komt geen immuniteit toe

De conclusie is gelet op het vorenstaande dat de gemeente uit hoofde van het Pikmeer II-criterium in casu geen immuniteit toekomt. Als gevolg hiervan kan in het midden blijven of de Gemeente op grond van de jurisprudentie van het EHRM mogelijk ook strafrechtelijk te vervolgen zou zijn als uit het Pikmeer II-criterium zou voorvloeien dat de Gemeente wel immuniteit geniet.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF