Rb acht verdachte schuldig aan valsheid in geschrifte bij het opmaken van verantwoordingsformulieren PGB-ABWZ

Rechtbank Overijssel 28 november 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2950

Verdachte heeft, met behulp van zijn mededader, ruim twee jaar lang zorguren gedeclareerd waarop geen recht bestond. Door zo te handelen hebben verdachte en zijn mededader misbruik gemaakt van zorgafhankelijke mensen die vertrouwen hadden in de medeverdachte medeverdachte 2 en haar BV. Deze personen hebben niet de zorg ontvangen die ze nodig hadden. Daarnaast zijn zij ook blootgesteld aan een financieel risico omdat de budgetverlener, het geld dat niet is besteed aan daadwerkelijke zorg, in beginsel van hen kan terugvorderen. Voorts is er sprake van misbruik van gemeenschapsgeld waarbij verdachten geen oog hebben gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de regeling van de PGB’s en de mensen die met behulp daarvan juist op een adequate manier in hun zorgbehoefte konden voorzien. Fraude met sociale voorzieningen kan uiteindelijk gevolgen hebben voor het op hetzelfde niveau voorbestaan van dergelijke voorzieningen.

Gelet hierop en het aanzienlijke benadelingsbedrag dat met deze fraude gemoeid is, was naar het oordeel van de rechtbank een in beginsel een gevangenisstraf op zijn plaats geweest.

De rechtbank houdt echter bij de bepaling van de strafmaat ook rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Op 26 mei 2009 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden. Verdachte zelf is als verdachte gehoord op 9 september 2009. Op die datum heeft verdachte’s vervolging een aanvang genomen. De zaak is op 6 juni 2011 voor de eerste keer ter terechtzitting behandeld. Op die datum is de zaak - op verzoek van de verdediging - terugverwezen naar de rechter-commissaris in verband met het verhoor van getuigen en het onderzoek ter terechtzitting is toen voor onbepaalde tijd geschorst.

De volgende zitting heeft op 10 december 2012 plaatsgevonden en de inhoudelijke behandeling heeft op 4 november 2013 plaatsgevonden. De uitspraak is op 18 november 2013. De totale tijdsduur van deze zaak bedraagt ruim vier jaren jaren en de overschrijding van de redelijke termijn (van twee jaren) bedraagt iets meer dan twee jaren. Een deel van deze overschrijding is toe te schrijven aan de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging getuigen gehoord moesten worden door de rechter-commissaris, maar dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat sprake is van een overschrijding die voor ongeveer 18 maanden voor rekening van het openbaar ministerie komt. De rechtbank zal, rekening houdend met die overschrijding van de redelijke termijn, een strafvermindering toepassen.

Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met de rol die verdachte in het geheel heeft vervuld. Zo werd hij in de eerste jaren voor zijn inspanningen niet of nauwelijks beloond en is niet gebleken dat hij persoonlijk gewin heeft gehad bij het plegen van de feiten. Voorts is van belang dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

Op grond van al het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van zestig (60) uur opleggen. Voor oplegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf ziet de rechtbank geen aanleiding vanwege het ontbreken van eerdere justitiecontacten, terwijl er evenmin omstandigheden zijn op grond waarvan herhalingsgevaar zou dreigen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF