'De Hoge Raad en het ne bis in idem-beginsel: een onbezonnen koers?'

De Hoge Raad heeft op 1 februari 2011 een overzichtsarrest gewezen waarin de maatstaf voor de toepassing van artikel 68 Sr en artikel 313 Sv, in welke beide bepalingen het begrip ‘hetzelfde feit’ centraal staat, wordt verduidelijkt. De Hoge Raad benadrukt dat met deze verduidelijking geen in- houdelijke verandering van die maatstaf wordt beoogd. Dat blijkt ook uit rov. 2.9.1, waarin de Hoge Raad de relevante vergelijkingsfactoren – de juridische aard van de feiten alsmede de gedraging van de verdachte – nader uitwerkt. In die overweging komt inderdaad, iets meer gestroomlijnd, de eer- dere rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking.

Het lot van een verduidelijking is veelal dat deze niet alleen voor (meer) helderheid zorgt, maar ook weer (nieuwe) vragen en discussiepunten opwerpt. Een centraal thema in het debat sinds het wijzen van het overzichtsarrest is of de Hoge Raad juist door vast te houden aan een feitsbegrip waarin (ook) juridische elementen een rol spelen, zich niet verwijdert van de Europese lijn. Het gaat bij die lijn meer specifiek om de rechtspraak van het EHRM en het Hof van Justitie EU over artikel 4 van het (door Nederland – vooralsnog – niet geratificeerde) Zevende Protocol bij het EVRM respectievelijk artikel 54 SUO, waarbij geldt dat de rechtspraak omtrent artikel 4 van het Zevende Protocol van groot belang is voor de uitleg van de ne bis in idem-bepaling van artikel 50 van het Handvest van de Grondrecht van de Europese Unie.5 In die rechtspraak zou zijn gekozen, zo wordt veelal betoogd, voor een materieel – zuiver feitelijk en dus vrij van juridische elementen – feitsbegrip. De Hoge Raad heeft evenwel in het overzichtsarrest overwogen dat ‘ook gelet op de Europese recht- spraak (...) voor een inhoudelijke verandering geen grond aanwezig [is]’.

Lees verder:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF