Raadsman beroept zich in het kader van de toetsing inverzekeringstelling op de Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken

Rechtbank Rotterdam 8 januari 2013, LJN BY8836 De verdachte in onderhavige zaak heeft zijn invrijheidstelling verzocht.

De raadsman heeft aangevoerd aan dat zijn cliënt op 4 januari 2013 voor een andere zaak is aangehouden en in verzekering is gesteld. Hij legt daarbij het betreffende bevel tot inverzekeringstelling over. Op 5 januari 2013 is zijn cliënt voor die zaak in vrijheid gesteld en aansluitend is hij aangehouden voor de zaak die heden aan de orde is. Voor laatstgemelde zaak is zijn cliënt vervolgens in verzekering gesteld. Aldus handelend heeft het OM de Aanwijzing inverzekeringstelling niet nageleefd, omdat een aansluitende inverzekeringstelling slechts in specifieke gevallen is toegestaan. In dit geval is van een dergelijk specifiek geval geen sprake, zodat de inverzekeringstelling onrechtmatig is.

Subsidiair voert de raadsman aan dat zijn cliënt niet binnen 3 dagen en 15 uur na de aanhouding van 4 januari 2013 aan de rechter-commissaris is voorgeleid. De toetsing vindt aldus te laat plaats, waardoor de inverzekeringstelling onrechtmatig is.

Meer subsidiair voert de raadsman aan dat er geen redelijk vermoeden van schuld is dat zijn cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan de in het dossier vermelde diefstallen. In dat kader brengt de raadsman onder meer naar voren dat de betreffende aangiften zich niet in het dossier bevinden, terwijl dat gelet op de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken wel verplicht is. Ook dit leidt tot de conclusie dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is.

Naar aanleiding van het primaire verweer van de raadsman heeft de RC de officier van justitie om nadere informatie verzocht. Per e-mail heeft de officier van justitie de RC van aanvullende informatie voorzien. De RC heeft de raadsman de gelegenheid geboden om hierop te reageren, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt.

Beoordeling

Uit het thans aan hem voorliggende dossier leidt de RC af dat:

  • de verdachte op 4 januari 2013 te 17.15 uur is aangehouden en te 23.08 uur in verzekering is gesteld op verdenking van medeplichtigheid aan een poging tot diefstal in vereniging, gepleegd te Dordrecht op 4 januari 2013;
  • de verdachte op 5 januari 2013 te 11.00 uur voor die zaak in vrijheid is gesteld;
  • de verdachte aansluitend is aangehouden in verband met een of meer openstaande geldboetes;
  • de verdachte op 5 januari 2013 te 16.50 uur is aangehouden en te 22.00 uur in verzekering is gesteld op verdenking van diefstallen in vereniging, gepleegd te Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht in november en december 2012;
  • laatstgemelde inverzekeringstelling op 7 januari 2013 is verlengd met ingang van 8 januari 2013 te 21.59 uur.

Aldus bezien is er geen sprake van een aansluitende inverzekeringstelling als bedoeld in de Aanwijzing inverzekeringstelling. Het primaire verweer wordt derhalve verworpen.

Nu er geen sprake is van een aansluitende inverzekeringstelling heeft de termijn van 3 dagen en 15 uur ex art. 59a Sv een aanvang genomen op 5 januari 2013 te 16.50 uur. Verdachte is derhalve tijdig voorgeleid aan de RC, zodat ook het subsidiaire verweer wordt verworpen.

Op basis van deze artikelen neemt de RC als uitgangspunt dat ook bij gelegenheid van een toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling de verdachte kennis moet kunnen nemen van de processtukken. In dit geval betekent dat de verdachte in beginsel kennis had moeten kunnen nemen van de onderliggende aangiften. De aangiften zijn niet toegevoegd aan het toetsingsdossier. Dit leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling, reeds omdat in het overzichtsproces-verbaal, opgemaakt op 7 januari 2012 door de verbalisanten Verdoorn en Droogendijk, de aangiften in samengevatte vorm zijn weergegeven. Die samenvatting biedt op dit moment voldoende inzicht in de inhoud van de aangiften. Verdachte is aldus niet in zijn belangen geschaad. Ook het meer subsidiaire verweer wordt derhalve verworpen.

De verdenking is gerezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten als bedoeld in het bevel tot verzekeringstelling, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De inverzekeringstelling van de verdachte is in het belang van het onderzoek. De in de wet neergelegde vormvoorschriften zijn in acht genomen. Ook op andere gronden oordeelt de RC de inverzekeringstelling niet onrechtmatig. Er zijn geen gronden het verzoek van de verdachte om hem in vrijheid te stellen in te willigen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF