Promis en aanvulling met bewijsmiddelen, art. 359 en 365a Sv

Hoge Raad 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:684

Feiten

Op 14 juni 2009 heeft een overval plaatsgevonden in Domino's Pizza, gevestigd aan de Groenestraat 243 in Nijmegen. De overval werd gepleegd door twee mannen met bivakmutsen op. De overvallers hebben onder bedreiging van op vuurwapens gelijkende voorwerpen het aanwezige personeel gedwongen om geld af te staan. Het geld is in een plastic zak gestopt. De overvallers zijn vervolgens met medeneming van het geld via de achterdeur de pizzeria uitgevlucht.

Het hof is van oordeel dat het aan verdachte onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden en dat het namens verdachte door zijn raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verzoeker is bij arrest van 15 maart 2011 door het Gerechtshof te Arnhem wegens afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden. Voorts heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een Colt 9mm pistool alsmede de teruggave aan de rechthebbende gelast van een scooter en de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag. Verder heeft het Hof verzoeker veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de benadeelde partij (slachtoffer 4) en aan verzoeker de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Middel

Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak niet aan de in art. 359 Sv gestelde eisen voldoet omdat die uitspraak een volgens de zogenoemde Promiswerkwijze uitgewerkt arrest is, doch tevens moet worden aangemerkt als een verkort arrest als bedoeld in art. 365a Sv.

Beoordeling Hoge Raad

Bij beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een klacht die uitsluitend inhoudt dat ten onrechte een aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a Sv is opgesteld en bij de gedingstukken is gevoegd, niet tot cassatie kan leiden omdat de verdachte bij die klacht onvoldoende in rechte te respecteren belang heeft (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0863, NJ 2013/144).

Klaarblijkelijk heeft het Hof de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn vermeld in de aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv, en heeft het gewaardeerd in samenhang met de feiten en omstandigheden die het Hof in zijn arrest heeft genoemd, met vindplaatsen in de processtukken. Daarop stuit het middel af.

Conclusie AG: anders

Het proces-verbaal van die bewuste terechtzitting houdt onder meer het volgende in: “Op verzoek van de voorzitter gaat verdachte staan. Verdachte verklaart desgevraagd "ik ben 1.90 meter lang". De voorzitter verklaart, zakelijk weergegeven: Ik neem waar dat verdachte ongeveer 1.90 meter lang is en hoor verdachte zeggen dat hij 1.90 meter lang is. (…) De voorzitter laat de tweede getuige voor het hof verschijnen. (…). De getuige, [medeverdachte 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, 17 jaar, schoolgaand, legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. (…) Hoelang ik ben? Ik ben ongeveer 1.70 meter lang.”

AG: Gezien het bovenstaande citaat uit het zittingsverbaal en in ogenschouw nemend dat de medeverdachte [medeverdachte 3] ter ’s Hofs terechtzitting van 1 maart 2011 in het geheel geen verklaring omtrent zijn lengte heeft afgelegd, kan het er in cassatie voor worden gehouden dat in de bewijsredenering van het Hof per abuis “medeverdachte [medeverdachte 3]“ is komen te staan in plaats van “verdachte”. Deze uitleg wordt versterkt door de aan de alinea 11 voorafgaande overwegingen van het Hof, waaruit volgt dat het vaststellen van de lengte van de overvallers die de pizzatent zijn binnengegaan een punt van belang is, terwijl het Hof heeft vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 3] niet één van die overvaller is geweest nu hij in de geparkeerd staande auto aan het begin van de Dobbelmanweg is blijven wachten. Kortom, er is hier evident sprake van een misslag die op zichzelf niet tot cassatie hoeft te leiden.

Wat overblijft is de deelklacht dat een verwijzing naar de verklaring van getuige [medeverdachte 2] ontbreekt. Deze deelklacht is juist en tevens terecht voorgesteld nu een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechter de feiten en omstandigheden ontleent waarop het zijn gevolgtrekkingen baseert, in een Promisoverweging niet kan ontbreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF