PG bij de Hoge Raad: geen aanknopingspunten voor opsporingsonderzoek naar bewindspersonen over uitvoer F-35-onderdelen naar Israël

De procureur-generaal bij de Hoge Raad, Edwin Bleichrodt, heeft op 30 oktober 2026 bekendgemaakt dat hij geen aanknopingspunten ziet voor een opsporingsonderzoek tegen (voormalige) Nederlandse bewindspersonen. De aangiften gingen over gestelde medeplichtigheid aan ernstige schendingen van internationaal humanitair recht door Israël. De conclusie volgt op een oriënterend onderzoek naar aanleiding van zeventien aangiften. Die zagen op het toestaan van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen en andere militaire goederen vanuit Nederland naar Israël, in de periode van 7 oktober 2023 tot 1 januari 2026. Volgens de aangevers zouden de bewindspersonen zich daarmee schuldig hebben gemaakt aan feiten die strafbaar zijn gesteld in de Wet internationale misdrijven. De PG onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een redelijk vermoeden van schuld. Daarbij besprak hij de wederrechtelijkheid van de uit- en doorvoer en het opzetvereiste voor medeplichtigheid. Over dat opzetvereiste heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten. De bevindingen zijn gestuurd aan minister Van den Brink, in zijn hoedanigheid van minister van Justitie en Veiligheid ad interim. De regering beslist nu of een opsporingsonderzoek is aangewezen.

De procedure bij ambtsdelicten van bewindspersonen

Op grond van artikel 119 van de Grondwet worden (voormalige) leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen voor ambtsmisdrijven berecht door de Hoge Raad. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met de vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen, op grond van artikel 111, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Hij kan niet op eigen initiatief tot vervolging overgaan. Daarvoor is een opdracht nodig van de regering bij koninklijk besluit of van de Tweede Kamer bij besluit. Het parket bij de Hoge Raad behoort niet tot het Openbaar Ministerie en is onafhankelijk van de minister van Justitie en Veiligheid en de rest van de regering.

De voorfase is geregeld in het Protocol inzake de behandeling van aangiften bij een ministerie, het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad tegen leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen. De minister van Veiligheid en Justitie stelde dat protocol vast op 11 oktober 2017. Gaat het om een aangifte in de zin van het protocol, dan start de PG een oriënterend onderzoek. Dat onderzoek beantwoordt de vraag of er aanknopingspunten zijn voor een opsporingsonderzoek. Na afloop informeert de PG de minister. Een van de aangiften was gericht tegen minister Van Weel, in zijn voormalige hoedanigheid van minister van Buitenlandse Zaken. Omdat hij inmiddels minister van Justitie en Veiligheid is, informeerde de PG volgens de toelichting op het protocol diens vervanger ad interim.

De civiele procedure over de F-35-onderdelen

Het oriënterend onderzoek staat naast een civiele procedure die Oxfam Novib, PAX en The Rights Forum tegen de Staat voerden. Het gerechtshof Den Haag beval de Staat op 12 februari 2024 om binnen zeven dagen iedere uit- en doorvoer van F-35-onderdelen met eindbestemming Israël te staken. Volgens een Kamerbrief van 6 oktober 2025 paste het kabinet daarop de algemene vergunningen NL007 en NL009 aan, zodat deze niet meer voor uit- en doorvoer naar Israël konden worden gebruikt.

De Hoge Raad vernietigde dat arrest op 3 oktober 2025. Volgens de Hoge Raad had het hof de uitvoer niet zelf mogen toetsen aan de toetsingskaders voor wapenexportcontrole. Die toets is aan de Staat. De rechter kan alleen met grote terughoudendheid beoordelen of de Staat die toets juist heeft uitgevoerd. De Staat moet de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël opnieuw beoordelen. Volgens het jaarverslag 2025 van de Hoge Raad wachtte de PG deze uitspraak af en startte hij daarna het oriënterend onderzoek.

Wederrechtelijkheid van de uit- en doorvoer

De PG stelt voorop dat strafrechtelijke aansprakelijkheid voor medeplichtigheid geen grond heeft als het handelen of nalaten niet wederrechtelijk is. Uit rechtspraak, onder meer van het Internationaal Gerechtshof, volgt volgens de PG dat de uit- of doorvoer van militaire goederen naar Israël na 7 oktober 2023 niet zonder meer in strijd is met het internationale recht. Daarmee is volgens hem ook niet zonder meer sprake van wederrechtelijk handelen door de ministers tegen wie aangifte is gedaan.

De PG benadrukt de grenzen van het onderzoek. Hij beantwoordt niet de vraag of de goederen zijn gebruikt bij ernstige schendingen van internationaal humanitair recht. Hij oordeelt evenmin over de politieke en beleidsmatige afwegingen die de bewindspersonen hebben gemaakt over het gewapende conflict in Gaza. Het toetsen van zulke afwegingen is volgens de PG in beginsel niet aan hem.

Het opzetvereiste: Nederlands of internationaal recht

De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgesproken over de vraag of voor het opzetvereiste het Nederlandse of het internationale recht leidend is. De PG wijst erop dat de wetsgeschiedenis steun biedt voor het internationale recht. Rechtbanken en gerechtshoven passen in de regel het Nederlandse recht toe. De PG heeft daarom beide benaderingen gehanteerd. Hij beoordeelde telkens of er een redelijk vermoeden bestaat van opzet op de deelneming en op het grondfeit, het plegen van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht, gesteld dat die zijn gepleegd.

Het verschil tussen beide benaderingen zit in de vereiste opzetgradatie. Naar Nederlands recht volstaat voorwaardelijk opzet: het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op de deelneming en het grondfeit. Naar internationaal recht volstaat dat niet. Dan moeten de deelnemingshandelingen zijn verricht met het doel het grondfeit te vergemakkelijken. Ook moet de betrokkene zich er ten minste van bewust zijn geweest dat het grondfeit zich bij een normale gang van zaken zou voordoen. De PG maakte verder onderscheid tussen twee periodes. De eerste loopt van 7 oktober 2023 tot 20 februari 2024, de datum waarop de na het arrest van het hof gewijzigde vergunningen in werking traden. De tweede loopt van 20 februari 2024 tot en met 1 januari 2026.

F-35-onderdelen tot 20 februari 2024

Over de F-35-onderdelen stelt de PG vast dat de verantwoordelijke ministers en het kabinet de uit- en doorvoer consequent hebben gebaseerd op het recht op zelfverdediging van Israël. De uitvoer was volgens de PG niet gericht op het begaan van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht. Hij wijst erop dat uitvoer van militaire goederen aan staten die bij een gewapend conflict zijn betrokken op zichzelf niet in strijd hoeft te zijn met internationaal of nationaal recht. Ook wijst hij erop dat Nederland gebonden is aan het Wapenhandelsverdrag en aan Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad.

Volgens de PG zijn er omstandigheden die erop wijzen dat de ministers het faciliteren van ernstige schendingen niet hebben gewild. Evenmin hebben zij volgens de PG de aanmerkelijke kans daarop bewust aanvaard. Hij noemt de herhaalde oproepen aan Israël om het internationaal humanitair recht na te leven en het aanspreken van Israël daarop in diplomatieke contacten. Hij noemt ook het vrijmaken van geld voor onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen, zodat een internationale rechter later zo nodig aansprakelijkheid kan vaststellen.

Andere militaire goederen na 20 februari 2024

Voor de periode vanaf 20 februari 2024 is de PG niet gebleken van aanwijzingen dat vanuit Nederland militaire goederen naar Israël zijn uit- of doorgevoerd die konden worden gebruikt bij oorlogsmisdrijven of andere schendingen van internationaal humanitair recht. De goederen die op basis van de verleende vergunningen nog konden worden uitgevoerd, waren volgens de PG defensief van aard, zoals onderdelen van het Iron Dome-systeem. Het kon ook gaan om goederen waarvan Israël niet de eindgebruiker was.

Afsluiting

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat uit het oriënterend onderzoek geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die leiden tot een verdenking van een ambtsdelict door een of meer (voormalige) bewindspersonen. Die conclusie geldt zowel bij toepassing van het Nederlandse als van het internationale opzetbegrip. De bevindingen liggen bij minister Van den Brink als minister van Justitie en Veiligheid ad interim. De regering beslist of een opsporingsonderzoek is aangewezen en maakt die beslissing bekend op rijksoverheid.nl. Op het moment van schrijven was die beslissing niet gepubliceerd. Op grond van artikel 119 van de Grondwet kan een opdracht tot vervolging ook worden gegeven bij besluit van de Tweede Kamer.

Klik hier voor het nieuwsbericht van de procureur-generaal, met daarin het oriënterend onderzoek en de bijlage als pdf.

Print Friendly and PDF ^