OvJ heeft niet in redelijkheid tot verdere vervolging van verdachte kunnen overgaan: schending van beginselen van behoorlijk vervolgingsbeleid van dien aard dat in dit geval de OvJ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard

Rechtbank Rotterdam 12 september 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:7629

De officier van justitie, heeft gerekwireerd tot:

  • vrijspraak van het tweede deel van het onder 2 cumulatief ten laste gelegde en vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde en het onder het eerste deel van het onder 2 cumulatief ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van feit 1

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie, al dan niet gedeeltelijk, niet-ontvankelijk is in de vervolging. De raadsman heeft daartoe, voor zover van belang, en ook onder verwijzing naar het eerder door de verdediging ingenomen standpunt, zoals verwoord naar aanleiding van de behandeling van de vordering gevangenhouding in raadkamer op 21 januari 2014, het volgende naar voren gebracht.

Bij het gebruik van haar vervolgingsbevoegdheid is het openbaar ministerie gebonden aan het gerechtvaardigde vertrouwen dat het daaromtrent heeft gewekt.

Bij brief van 12 april 2013 heeft de toenmalige raadsman van “2e naam verdachte”, geboren op 7 mei 1979, zich als raadsman gesteld en een verzoek gedaan om toezending van stukken in het onderzoek Sermei, waarin 2e naam verdachte onderwerp van onderzoek zou zijn. Eenzelfde verzoek heeft de (toenmalige) raadsman op 16 april 2013 ten aanzien van medeverdachte, geboren op 19 juli 1976, gedaan.

In reactie hierop heeft de officier van justitie op respectievelijk 16 april 2013 (ten aanzien van 2e naam verdachte) en 19 apri1 2013 (ten aanzien van medeverdachte) geantwoord dat: "(...) het onderzoek Sermei is afgesloten. Voor zover uw cliënt dus al op enig moment als verdachte in voornoemd onderzoek is aangemerkt, is hij dat op dit moment in ieder geval niet of niet meer."

De verdediging stelt dat de inhoud van deze brieven niet anders kan worden opgevat dan als een beslissing tot niet verdere vervolging zoals bedoeld in artikel 246, eerste lid Sv. Dit wordt bevestigd door het standpunt van de officier van justitie zoals dat tijdens de behandeling in raadkamer van 21 januari 2014 naar voren is gebracht. Daar heeft de officier van justitie ten aanzien van medeverdachte gesteld: "Deze man (doelend op medeverdachte) kan daar (doelend op de brief van 19 april 2013) rechten aan ontlenen. Wat dat betreft heb ik bij medeverdachte mijn recht op vervolging verspeeld".

Het standpunt van de officier van justitie dat dit anders ligt bij de verdachte nu van hem de identiteit "nooit echt vastgesteld" zou zijn, is naar mening van de verdediging in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De verdediging stelt zich op het standpunt dat, los van de vraag wat de werkelijke identiteit van betrokkene is, van belang is welke persoon met de naam 2e naam verdachte wordt bedoeld. Uit het dossier blijkt overduidelijk dat vanaf het begin van het onderzoek Sermei 2e naam verdachte bij het onderzoeksteam bekend was, en was gekoppeld aan de persoon die in het dossier “NN alias verdachte” wordt genoemd, en die nu als verdachte wordt aangemerkt.

De stelling van de officier van justitie dat zij dwaalde omtrent de identiteit van de verdachte, dat haar de “2e naam verdachte” niet bekend was en dat aan de brief van 16 april 2013 dan ook geen gevolgen kunnen worden verbonden ten aanzien van de vervolging van de verdachte NN “alias verdachte”, zich thans noemende verdachte, vindt gezien het voorgaande geen onderbouwing in het dossier, aldus de verdediging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de verdachte onder zes verschillende namen bekend is. Tot op heden is zijn werkelijke identiteit niet ondubbelzinnig vastgesteld. Ten tijde van het verzoek om stukken van 16 april 2013 van de (toenmalige) raadsman van “2e naam verdachte” in het onderzoek Sermei was de officier van justitie niet bekend wie 2e naam verdachte was, nu hij in het onderzoek steeds als “NN alias verdachte” stond vermeld. Weliswaar is bij aanvang van het onderzoek in het dossier vermeld dat “NN alias verdachte” dezelfde persoon zou zijn als “2e naam verdachte” maar hij is onder de naam “NN alias verdachte” ‘het systeem’ ingegaan. Van “NN alias verdachte” zijn veel andere documenten met verschillende identiteiten in omloop, met steeds de foto van de verdachte erop. De identiteit van “2e naam verdachte” is nooit echt vastgesteld.

Nu de verdachte door gebruikmaking van zoveel verschillende identiteiten zelf voor verwarring omtrent zijn identiteit heeft gezorgd, dienen ook mogelijke consequenties voor zijn rekening en risico te komen en mocht deze verdachte, in tegenstelling tot (destijds medeverdachte), dan ook niet uit eerdergenoemde brief van 16 april 2013 afleiden dat hij niet verder zou worden vervolgd. Van schending van de beginselen van een goede procesorde is dan ook geen sprake, omdat de officier van justitie haar inziens gerechtvaardigd ‘dwaalde’ ten aanzien van de identiteit van deze verdachte. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat haar bief van 16 april 2013 materieel gezien een beslissing tot het onthouden van stukken oplevert en geen beslissing tot niet verdere vervolging.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het gevoerde verweer het volgende.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of de verdachte “NN alias verdachte”, zich thans noemende naam verdachte, dezelfde persoon is als 2e naam verdachte. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, waarbij zij meteen opmerkt dat ook zij niet met zekerheid kan vaststellen wat nu de juiste identiteitsgegevens zijn van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van de naam “2e naam verdachte” en zichzelf (zowel in zijn verhoren bij de politie, als ter terechtzitting) herkend op foto 9 van de fotobijlage in het procesdossier. Verder blijkt uit het procesdossier dat op 28 september 2011 een persoon is aangehouden door de Koninklijke Marechaussee, die opgaf genaamd te zijn “2e naam verdachte” en die in het bezit was van een vals Sloveens paspoort ten name van 3e naam verdachte met daarop een foto van de verdachte. Blijkens dactyloscopisch onderzoek in zowel Nederland als Turkije komen de vingerafdrukken van 2e naam verdachte, verdachte en 3e naam verdachte overeen. Hiermee is komen vast te staan dat met “NN alias verdachte” en “2e naam verdachte” (en “3e naam verdachte”) de verdachte “NN alias verdachte, zich thans noemende naam verdachte” wordt bedoeld.

In de tweede plaats heeft de rechtbank te beoordelen of de brief van de officier van justitie van 16 april 2013 bij verdachte redelijkerwijs het gerechtvaardigd vertrouwen kan hebben gewekt dat verdachte niet (meer) zou worden vervolgd.

Daarbij moet worden vooropgesteld dat in artikel 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend: de mededeling in de hiervoor vermelde brief van de officier van justitie van 16 april 2013 aan de toenmalige raadsman van de verdachte dat hij “niet of niet meer” als verdachte werd aangemerkt kan –naar het oordeel van de rechtbank – moeilijk anders gezien worden dan als een toezegging door de officier van justitie dat verdachte niet (meer) zou worden vervolgd. Die consequentie heeft de officier van justitie ten aanzien van de medeverdachte naam medeverdachte ook zelf – naar het oordeel van de rechtbank: terecht – getrokken naar aanleiding van de gelijkluidende brief aan de raadsman van deze verdachte van 19 april 2013.

Tot slot ligt vervolgens de vraag voor of de officier van justitie – zoals zij zelf stelt – gerechtvaardigd ‘dwaalde’ ten aanzien van de identiteit van de verdachte.

In dit verband merkt de rechtbank het volgende op.

Uit het proces-verbaal van de CIE van 25 juli 2012 blijkt dat de CIE op dat moment de persoon genaamd “NN alias verdachte” heeft geïdentificeerd als 2e naam verdachte. Op 24 augustus 2012 is vervolgens een tapmachtiging verleend op het dan bekende telefoonnummer van “NN alias verdachte” waarbij in het onderliggende proces-verbaal van politie naast de hiervoor genoemde CIE-informatie ook andere feiten en omstandigheden worden genoemd op grond waarvan de politie vermoedt dat met “NN alias verdachte” 2e naam verdachte wordt bedoeld. Door het hele dossier heen is al vanaf de start van het onderzoek door het onderzoeksteam – onder meer aan de hand van stukken van de Koninklijke Marechaussee en de vreemdelingendienst, observaties, tapgesprekken en verschillende documenten - de conclusie getrokken dat de persoon die in het onderzoek Sermei “NN alias verdachte” wordt genoemd, naar alle waarschijnlijkheid 2e naam verdachte betreft.

De rechtbank stelt dan ook vast dat vanaf een vroeg moment in het onderzoek duidelijk is dat met “NN alias verdachte” 2e naam verdachte wordt bedoeld. De stelling van de officier van justitie dat zij ten tijde van de brief van 16 april 2013 van de (toenmalige) raadsman van “2e naam verdachte” niet bekend was met wie 2e naam verdachte was, nu hij in het onderzoek steeds als “NN alias verdachte” stond vermeld, kan de rechtbank dan ook niet volgen.

Ook in de subsidiair door de officier van justitie betrokken stelling dat materieel haar brief van 16 april 2013 moet worden gezien als beslissing tot het onthouden van stukken volgt de rechtbank haar niet. Die stelling faalt alleen al hierom dat aan een beslissing tot het onthouden van stukken de erkenning vooraf gaat dat de officier van justitie de betrokkene als verdachte heeft aangemerkt en daaraan ontbreekt het – gelet op de brief van 16 april 2013 – nu juist. Een en ander klemt temeer nu tegen de beslissing tot het onthouden van stukken voor de verdachte een met waarborgen omgeven rechtsgang opstaat, welke hem feitelijk is onthouden indien de rechtbank de officier van justitie zou volgen.

Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie niet in redelijkheid tot verdere vervolging van verdachte kunnen overgaan. De rechtbank acht de schending van de beginselen van een behoorlijk vervolgingsbeleid van dien aard dat in dit geval de officier van justitie, ten aanzien van feit 1, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in vervolging van de overige ten laste gelegde feiten, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de feiten 2 en 3.

Ten aanzien van feit 2 (cumulatief) en feit 3

Nu op dit moment nog steeds niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld wie de verdachte precies is, kan evenmin worden vastgesteld dat hij verdachte niet is. Er is dan ook onvoldoende bewijs dat het paspoort op naam van verdachte vals of vervalst is. De verdachte dient dan ook voor dit onderdeel van feit 2 alsmede voor feit 3 (de Litouwse verblijfsvergunning op naam van verdachte) te worden vrijgesproken.

Dit is ook door de officier van justitie gerekwireerd en door de raadsman aangevoerd.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF