Overschrijding redelijke termijn in e.a. met twee jaren gecompenseerd door voortvarende behandeling in h.b. binnen (ruim) vijf maanden?

Hoge Raad 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:591

De verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens 1, 5, 7, 9, 11, 13, 14 en 16 telkens: “verduistering door een bewindvoerder, meermalen gepleegd”, 2 primair, 4 primair, 6A primair, 6B primair, 8A primair, 8B primair, 10 primair en 12 telkens: “valsheid in geschrift”, 3 “ verduistering door een curator, meermalen gepleegd”, 15 “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” en 17 “ verduistering door een bewindvoerder”.

Voorts heeft het Hof vorderingen van zes benadeelde partijen (ten dele) toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Door de raadsman is verzocht bij het bepalen van de strafmaat de volgende omstandigheden in strafmatigende zin te laten meewegen. Allereerst is er sprake van schending van de redelijke termijn. Deze termijn is aangevangen bij de doorzoeking op 19 januari 2011 en het vonnis in eerste aanleg is van 21 januari 2015. (...)

De raadsman heeft verzocht verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf.

Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding tot strafmatiging vanwege schending van de redelijke termijn. Weliswaar is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden, maar deze schending is gecompenseerd door de snelle afdoening in hoger beroep."
 

Middel

Het middel klaagt over ꞌs Hofs oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg door de voortvarende behandeling in hoger beroep voldoende is gecompenseerd.
 

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat bij de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen twee jaar na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.14-3.16).

Het Hof heeft geoordeeld dat "de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden, maar deze schending is gecompenseerd door de snelle afdoening in hoger beroep". Gelet op hetgeen is vooropgesteld is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de zaak in eerste aanleg eerst is afgedaan meer dan vier jaren na aanvang van de termijn. Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In de omstandigheid dat de Rechtbank eerst uitspraak heeft gedaan nadat meer dan 48 maanden zijn verstreken na aanvang van de redelijke termijn, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, te verminderen met een maand.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF