Overbrenging schoon papierafval van Nederland naar Argentinië respectievelijk India | Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008

Rechtbank Rotterdam 29 november 2012, LJN BY4960 Eis van de OvJ

De officier van justitie mr. Boogert heeft gerekwireerd tot:

  • vrijspraak van het onder parketnummer 10/994522-12 (“de Argentinië-zaak”) primair ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/994522-12 subsidiair en het onder parketnummer 10/994520-12 (“de India-zaak”) ten laste gelegde, telkens in de opzetvariant;
  • veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 25.000,-, waarvan € 10.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Geldigheid dagvaarding

Namens de verdachte rechtspersoon is bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van het onder parketnummer 10/994522-12 primair ten laste gelegde partieel nietig is met betrekking tot de daarin opgenomen zinsnede: “terwijl die overbrenging geschiedde in strijd met artikel 36 onder f van die verordening”. Deze zinsnede is niet nader feitelijk ingevuld en daardoor onvoldoende toegespitst op een geconcretiseerde gedraging.

Dit verweer wordt verworpen.

De dagvaarding, bezien in samenhang met het dossier is voldoende duidelijk. De verdachte rechtspersoon heeft op basis daarvan kunnen weten waartegen zij zich diende te verdedigen. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat bij de verdachte rechtspersoon geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen haar wordt verweten en met name ook niet waaruit de verweten gedraging heeft bestaan.

Ontvankelijkheid OvJ

Namens de verdachte rechtspersoon is bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat deze in strijd met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, heeft gehandeld.

Ter onderbouwing is aangevoerd dat aan de verdachte rechtspersoon door de verbalisanten geen redelijke termijn is gesteld waarbinnen zij alsnog de in bijlage VII bedoelde informatie ex artikel 18, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA), kon overleggen. De verbalisanten hebben hierdoor in strijd gehandeld met nummer 20, voetnoot 18, van de interne richtlijn VROM-Inspectie procedure Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (“VIP-EVOA”).

Dit verweer wordt verworpen.

Artikel 18, tweede lid, van de EVOA bepaalt dat het in bijlage VII bedoelde contract tussen de opdrachtgever van de overbrenging, in dit geval de verdachte rechtspersoon, en de ontvanger voor de nuttige toepassing van de afvalstoffen bij de aanvang van de overbrenging juridisch bindend dient te zijn.

Uit het aanvullend proces-verbaal van de Belastingdienst/Douane Rotterdam van 15 juni 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaren, blijkt dat verbalisant op 13 december 2010 telefonisch contact heeft opgenomen met iemand van de verdachte rechtspersoon. Deze heeft - in reactie op de vraag van de verbalisant of er Bijlagen VII zijn opgemaakt en of de verdachte rechtspersoon een contract heeft met de ontvanger van de afvalstoffen - medegedeeld dat de verdachte rechtspersoon geen contract heeft en dat zij geen Bijlagen VII heeft opgemaakt omdat het een FAS levering was. Aldus stond vast dat er bij de aanvang van de overbrenging geen contract was zodat het voor de verbalisanten geen zin had om aan de verdachte rechtspersoon nog een redelijke termijn te stellen als bedoeld in de VIP-EVOA.

Vrijspraak

Het onder parketnummer 10/994522-12 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte rechtspersoon daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu zowel de officier van justitie als de raadsman daartoe hebben geconcludeerd, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd.

Nadere bewijsoverwegingen

Namens de verdachte rechtspersoon is bepleit dat in beide zaken geen sprake (meer) is van een afvalstof in de zin van de Richtlijn 2006/12/EG (de Richtlijn 2006) en de Richtlijn 2008/98/EG (de Richtlijn 2008) maar dat de papierladingen zijn aan te merken als een bijproduct, althans als een einde-afvalfase stof, naar de in rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap ontwikkelde criteria en ingevolge artikel 5 (bijproducten) respectievelijk artikel 6 (einde-afvalfase) van de Richtlijn 2008. De verdachte rechtspersoon moet derhalve worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Dit verweer wordt verworpen.

De Richtlijn 2006 is op grond van artikel 41 van de Richtlijn 2008 met ingang van 12 december 2010 ingetrokken door de Richtlijn 2008, welke laatste Richtlijn op grond van artikel 42 van de Richtlijn 2008 op 12 december 2008 in werking is getreden. De Richtlijn 2008 gold derhalve ten tijde van het plegen van de aan de verdachte rechtspersoon ten laste gelegde feiten, te weten van 7 december 2010 tot en met 20 december 2010 respectievelijk van 18 oktober 2010 tot en met 3 december 2010, en zal worden gevolgd bij de beantwoording van het door de raadsman opgeworpen verweer.

Anders dan de raadsman betoogt, getuigt de vervanging van de Richtlijn 2006 door de Richtlijn 2008 gelet op de considerans bij de nieuwe Kaderrichtlijn en de wetsgeschiedenis van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn afvalstoffen niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de feiten zoals die in het onderhavige geval zijn bewezen verklaard (vgl. HR 17 april 2012, LJN BU3988). De Richtlijn 2008 geeft niet meer dan een verduidelijking en nadere specificering van het afvalstoffenbegrip en bevat zeker geen inperking van dat begrip. Voorts omvat deze Richtlijn een codificatie van de oude jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap op dit terrein, terwijl de definitie van het begrip “afvalstof” daarin (inhoudelijk gezien) niet is gewijzigd.

De essentie van het afvalstoffenbegrip is dus in beginsel gelijk gebleven. Een afvalstof is (nog steeds) elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

De Richtlijn 2008 introduceert evenwel twee nieuwe categorieën stoffen die expliciet buiten het afvalstoffenbegrip vallen, te weten bijproducten (artikel 5) en stoffen in de einde-afvalfase (artikel 6). Ten aanzien van het verweer dat het aangetroffen materiaal op grond van deze specifieke bepalingen niet (langer) als een afvalstof dient te worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt.

Een stof kan ingevolge artikel 5 (onder a en b) van de Richtlijn 2008, evenals voordien op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap onder de Richtlijn 2006, worden aangemerkt als een bijproduct indien is voldaan aan de voorwaarde dat het zeker is dat de stof zal worden hergebruikt en wel zonder verdere andere behandeling dat die welke bij de normale productie gangbaar is.

Gebleken is dat de onderhavige papierladingen nog één of meerdere bewerkingshandelingen moesten ondergaan, waaronder het versnipperen, het toevoegen van een grote hoeveelheid water, het wassen/reinigen (om onder meer inkt uit het pulp te verwijderen), het bleken en het zeven, alvorens deze konden worden ingezet als grondstof. De papierladingen konden vóór die noodzakelijke behandelingen, en dus ook op het moment dat de verdachte rechtspersoon bezig was het in balen geperste papier over te brengen naar India respectievelijk Argentinië, niet als bijproduct worden aangemerkt.

Voorts zijn ingevolge artikel 6 van de Richtlijn 2008, evenals voordien op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap onder de Richtlijn 2006, specifieke afvalstoffen niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1, wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een reclyclingsbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke op te stellen criteria. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ten tijde van de overbrenging van de onderhavige papierladingen aan deze voorwaarde niet was voldaan aangezien het papier toen nog geen behandeling voor nuttige toepassing had ondergaan. Reeds om die reden is geen sprake van een “einde-afvalfase” stof in de zin van artikel 6 van de Richtlijn 2008. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd leidt hetgeen is opgenomen in de considerans (onder 22 en 47) bij de Richtlijn 2008 niet tot een ander oordeel. Daarin is papier weliswaar genoemd als een categorie afvalstoffen waarvoor “einde-afvalfase”-specificaties en -criteria zouden kunnen worden bepaald. Dit is voor deze categorie afvalstoffen echter tot op heden niet gebeurd.

Namens de verdachte rechtspersoon is voorts bepleit dat in de beide ten laste gelegde zaken geen zorgvuldige analyse heeft plaatsgevonden van de stoffen waarom het in casu gaat, zodat deze analyse - als onbetrouwbaar - niet kan worden gebezigd voor het bewijs. De verdachte rechtspersoon moet derhalve worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Ter onderbouwing is aangevoerd dat de verbalisanten slechts op basis van visuele inspectie constateerden dat er sprake was van “in balen geperst (zeer) schoon (en droog) papierafval” in de Argentinië zaak en “in bundels geperst schoon papierafval” in de India zaak. De verbalisanten waren op grond van de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten (Stcrt. 2009, nr. 14714) gehouden een nadere analyse te doen om te bepalen of de aangetroffen papierladingen een bijproduct of einde-afvalfase stof vormden.

Dit verweer wordt verworpen.

Anders dan de raadsman betoogt, heeft er in beide zaken een zorgvuldige analyse plaatsgevonden. De verbalisanten hebben vastgesteld dat het in de Argentinië zaak om bundels papierafval (waarbij in de lading "briefpapier, enveloppen en folders" werden gezien) en in balen geperst schoon papierafval ging en in de Indiase zaak om bundels papierafval (waarbij in de lading briefpapier, folders- en snijrestanten van folders en/of tijdschriften werden gezien) en om in balen geperst schoon papierafval. De verbalisanten waren niet - ook niet op grond van de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten - gehouden om een nadere analyse te doen naar de vraag of de papierladingen een bijproduct of einde-afvalfase stof vormden. Dit is immers een juridische vaststelling en geen feitelijke.

parketnummer 10/994520-12 

Namens de verdachte rechtspersoon is bepleit dat de verdachte rechtspersoon niet als opdrachtgever voor de overbrenging in de zin van artikel 18, eerste lid, van de EVOA kan worden gekwalificeerd. De verdachte rechtspersoon moet derhalve worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Ter onderbouwing is aangevoerd dat de verdachte rechtspersoon de papierlading heeft verkocht aan [bedrijf] en deze lading heeft aangeleverd in de haven van Rotterdam. [Bedrijf] verkocht de papierlading op haar beurt aan een koper in India. [Bedrijf] boekte en betaalde het transport van Rotterdam naar India zodat feitelijk [bedrijf] de opdracht heeft gegeven om de papierlading naar India over te brengen.

Dit verweer wordt verworpen.

Uit het dossier blijkt dat op de “E-aangifte uitvoer” de verdachte rechtspersoon als exporteur van de papierlading staat vermeld. Zij heeft de papierlading onder zich en regelt de uitvoer naar India. Onder deze omstandigheden had de verdachte rechtspersoon als degene die zich feitelijk ontdoet van de papierlading, het in haar macht om de overbrenging van de papierlading naar India af te breken. De verdachte rechtspersoon kan derhalve worden aangemerkt als opdrachtgever c.q. normadressaat voor de overbrenging van afvalstoffen in de zin van artikel 18, eerste lid, van de EVOA.

Bovendien blijkt niet dat het - hier toepasselijke - in art. 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer opgenomen verbod om handelingen te verrichten als bedoeld in art. 2 onder 35 sub g onderdeel iii van de EVOA (“de overbrenging geschiedt op een wijze die niet feitelijk is gespecificeerd in het in bijlage VII opgenomen document.”), zich enkel richt tot “de opdrachtgever”. De aan het verweer ten grondslag gelegde stelling dat alleen “de opdrachtgever” de normadressaat is van de uit de EVOA voortvloeiende verplichtingen, kan derhalve niet als juist worden aanvaard (vgl. HR 7 mei 2002, LJN AD8914, NJ 2002/428, rov. 5.6). Hieraan doet niet af dat in art. 18 van de EVOA enkel wordt gesproken over “de opdrachtgever”.

Bewezenverklaring

parketnummer 10/994520-12

  • overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

parketnummer 10/994522-12

  • overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid verdachte rechtspersoon; parketnummers 10/994520-12 en 10/994522-12 

Namens de verdachte rechtspersoon heeft de raadsman ten aanzien van beide feiten een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld in de vorm van rechtsdwaling, op grond waarvan de verdachte rechtspersoon dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter onderbouwing daarvan is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het voor de verdachte rechtspersoon, ten tijde van het plegen van de aan haar verweten gedragingen, onvoldoende duidelijk was welke gedragingen onder de EVOA verboden en strafbaar waren, waardoor zij onvoldoende in staat was haar gedragingen op de EVOA af te stemmen.

Dit verweer wordt verworpen.

De vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdachte rechtspersoon sinds ongeveer acht jaar containers met papierladingen exporteert naar landen buiten de Europese Gemeenschap, dat de vertegenwoordiger zelf (algemeen directeur bij de verdachte rechtspersoon) al 25 jaren “in het vak zit” en dat de verdachte rechtspersoon zich na de inwerkingtreding van de EVOA over de consequenties daarvan heeft laten voorlichten door een advocatenkantoor. Voorts heeft de vertegenwoordiger bij brief van 21 januari 2011 ter aanvulling op zijn eerder afgelegde verklaring - in antwoord op de vraag of hij bekend is met de EVOA - medegedeeld dat hij in grote lijnen op de hoogte is van deze regeling en dat medewerkers van de verdachte rechtspersoon daarvan meer in detail op de hoogte zijn. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het voor de verdachte rechtspersoon niet duidelijk zou zijn geweest welke gedragingen onder de EVOA verboden en strafbaar waren. Bovendien is het de verantwoordelijkheid van de verdachte rechtspersoon om zich goed op de hoogte te stellen van de (internationale) wetgeving hieromtrent.

De verdachte rechtspersoon is strafbaar.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF