(Oud) raadsheer Gerechtshof Leeuwarden veroordeeld voor schending van het geheim van de raadkamer

Rechtbank Amsterdam 11 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4146

Verdachte was tot 2006 werkzaam als raadsheer in het (toenmalige) gerechtshof Leeuwarden. Tegen verdachte is op 14 januari 2008 aangifte gedaan wegens onder andere schending van het geheim van raadkamer betreffende een strafzaak, bij de afdoening waarvan verdachte in 2003 als raadsheer in het hof Leeuwarden was betrokken. De aangifte is gedaan door de voorzitter van de strafkamer die genoemde zaak had behandeld, mr. naam 2 (hierna: de kamervoorzitter), destijds werkzaam als vice-president in het hof Leeuwarden. Naar aanleiding van deze aangifte heeft de officier van justitie bij het parket Groningen bij brief van 12 februari 2008 aan de kamervoorzitter medegedeeld dat hij verdachte niet zou vervolgen, bij welke beslissing hij heeft gepersisteerd bij brief van 2 april 2008.

Op 4 mei 2008 heeft voormelde kamervoorzitter een klaagschrift op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend bij het gerechtshof Leeuwarden. Bij beschikking van 20 november 2008 heeft dat hof, zitting houdende te Arnhem, bevolen dat tegen verdachte een straf- vervolging zou worden ingesteld ter zake van het misdrijf van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verdachte is vervolgens vervolgd door de officier van justitie te Groningen.

Bij vonnis van 8 april 2009 is verdachte door de rechtbank Groningen veroordeeld wegens opzettelijke schending van een wettelijke geheim- houdingsplicht (art. 272 Sr) tot een voorwaardelijke geldboete. Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 24 fe- bruari 2010 het vonnis vernietigd en verdachte met een gelijkluidende bewezenverklaring tot dezelfde straf veroordeeld als de rechtbank.

Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen dat arrest. Bij arrest van 13 december 2011 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Leeuwarden vernietigd, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank Groningen van 8 april 2009 was vernietigd. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat de regeling van artikel 510 Sv - die het Openbaar Ministerie verplicht bij verdenking van een rechterlijk ambtenaar van een strafbaar feit de Hoge Raad te verzoeken een ander gerecht aan te wijzen “voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaatshebben” - ook toepasselijk is indien aan de desbetreffende ambtenaar inmiddels ontslag is verleend uit zijn functie, dat het Openbaar Ministerie had nagelaten zo’n verzoek te doen en dat dit diende te leiden tot nietigheid van het in eerste aanleg en in hoger beroep gehouden onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken. De Hoge Raad heeft voorts opgemerkt dat zijn overwegingen meebrachten dat de beschikking van het hof van 20 november 2008 inzake het op de voet van artikel 12 Sv gedane beklag haar kracht had verloren.

Op het verzoekschrift (op de voet van artikel 510 Sv) van 28 februari 2012 van de hoofdofficier van justitie van het parket Groningen heeft de Hoge Raad bij beschikking van 13 juli 2012 de rechtbank Amsterdam aangewezen als gerecht “voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaats- hebben”.

Op 4 juni 2013 heeft de officier van justitie te Amsterdam de verdachte tegen de terechtzitting van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2013 gedagvaard. Verdachte heeft op 12 juni 2013 een bezwaarschrift ingediend tegen die dagvaarding. De rechtbank Amsterdam heeft dit bezwaarschrift bij beschikking van 12 juli 2013 gegrond verklaard, de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in de vordering bedoeld is vervolging en verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging gesteld.

De officier van justitie heeft op 26 juli 2013 hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 17 januari 2014 de beschikking van de rechtbank van 12 juli 2013 vernietigd en heeft het bezwaarschrift van de verdachte tegen de dagvaarding ongegrond verklaard. Hierbij heeft het gerechtshof onder meer overwogen dat het aan de Amsterdamse officier van justitie is om te bepalen of verdachte al dan niet (opnieuw) zal worden vervolgd en dat verdachte niet erop mocht vertrouwen dat hij niet meer zou mogen worden vervolgd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft hij – samengevat – aangevoerd dat verdachte geen eerlijk proces heeft gehad, dat sprake is geweest van beïnvloeding van het gerechtshof te Amsterdam en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Er is een goed gemotiveerde sepotbeslissing genomen door de officier van justitie in Groningen in 2008. Vervolgens mag alleen nog vervolgd worden als ofwel sprake is van nieuwe feiten ofwel een rechter de officier van justitie heeft opgedragen alsnog tot vervolging over te gaan. Beide situaties doen zich hier niet voor. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 13 december 2011 bepaald dat de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 20 november 2008 inzake het op de voet van artikel 12 Sv gedane beklag haar kracht heeft verloren. De officier van justitie te Amsterdam had dus niet tot vervolging mogen overgaan.

De officier van justitie te Amsterdam heeft een aanvullend klaagschrift met tendentieuze strekking van aangever (kamervoorzitter naam 2) gehecht aan zijn appelmemorie tegen de beslissing van de raadkamer van de rechtbank van 12 juli 2013 waarbij het bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond is verklaard. Hiermee is sprake van beïnvloeding van het hof door een persoon met status en gewicht. De beslissing van het gerechtshof, met name de zinsnede dat het dictum van de Hoge Raad “voor geen andere uitleg vatbaar is”, is onjuist. Van een eerlijk proces is om deze reden evenmin sprake geweest.

De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat verdachte, gelet op de sepot- beslissing van de officier van justitie te Groningen, erop mocht vertrouwen dat hij niet meer vervolgd zou worden, behoudens nieuwe feiten of een beslissing van de rechter dat tot vervolging over dient te worden gegaan. Zoals eerder betoogd, doen deze twee uitzonderingen zich in deze zaak niet voor. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de officier van justitie te Amsterdam niet ontvankelijk is. Het openbaar ministerie is één en ondeelbaar.

De officier van justitie heeft het verweer van de raadsman gemotiveerd weersproken, waarbij hij heeft gewezen op de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 17 januari 2014, tegen welke beschikking geen beroep in cassatie is ingesteld door verdachte. Het gaat niet aan om in de huidige procedure die beschikking alsnog aan te vechten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 13 december 2011 ambtshalve het volgende overwogen, voor zover van belang:

2.2. Ingevolge art. 510, eerste lid, Sv wordt ingeval “een rechterlijk amb- tenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht”, op een verzoekschrift van het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, door de Hoge Raad een ander gerecht van gelijke rang als het anders bevoegde aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaatsvinden.

2.3. De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie om – in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een verdenking van een strafbaar feit is gerezen – al dan niet gebruik te maken van onder meer zijn bevoegdheid die ambtenaar niet te vervolgen. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in het eerste lid genoemde gevallen het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen indien naar zijn aanvankelijke oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het openbaar ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (vgl. HR 17 februari 2004, LJN AO3669, NJ 2005/144). (…)

Uit het vorenstaande volgt dat het niet aan de officier van justitie te Groningen was om over de vervolging van verdachte een beslissing te nemen, maar dat dat aan de Amsterdamse officier van justitie is. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat de officier van justitie te Amsterdam niet had mogen beslissen om tot vervolging over te gaan en dat er om die reden sprake is geweest van oneerlijk proces.

De rechtbank volgt de raadsman evenmin in zijn betoog dat sprake is geweest van beïnvloeding van het gerechtshof te Amsterdam. Nog los van het feit dat verdachte niet gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam en hij dit verweer dan aan de orde had kunnen stellen, blijkt uit het arrest van het gerechtshof niet dat het gerechtshof zich heeft laten beïnvloeden door het aanvullend klaagschrift van aangever. Uit hetgeen de raadsman hieromtrent heeft gesteld blijkt zulks ook niet.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet meer vervolgd zou worden gelet op de feitelijke gang van zaken als hiervoor geschetst onder 3. Gelet op het procedureverloop sinds het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2011, alsmede de in dat arrest opgenomen overwegingen zoals hiervoor weergegeven, mocht verdachte niet erop vertrouwen dat het niet meer tot een vervolging zou komen.

De rechtbank concludeert dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

Partiële vrijspraak van het ten laste gelegde

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat ver- dachte dient te worden vrijgesproken van de volgende onderdelen op de tenlastelegging: "dat hij, verdachte, van meet af aan werd geplaagd door twijfels" en "als hij, verdachte, dit alles destijds had geweten, waren zijn, verdachtes, twijfels dusdanig toegenomen dat hij, verdachte, geen gebruik had willen maken van de belastende verklaring van de heer H. en geen "unanimiteit" tot stand was gekomen". Weliswaar heeft verdachte deze mededelingen in zijn brief van 21 maart 2007 aan mr. naam 1 gedaan, maar deze mededelingen geven naar het oordeel van de rechtbank geen inzicht in hetgeen in de raadkamer over de aanhangige zaak is geuit. De zinsnede "dat hij, verdachte, van meet af aan werd geplaagd door twijfels" zegt niet direct iets over de positie of uitlatingen van verdachte in de raadkamer. De zinsnede "als hij, verdachte, dit alles destijds had geweten, waren zijn, verdachtes, twijfels dusdanig toegenomen dat hij, verdachte, geen gebruik had willen maken van de belastende verklaring van de heer H. en geen "unanimiteit" tot stand was gekomen" is een door verdachte gedane constatering achteraf en geeft evenmin inzicht in hetgeen destijds in de raadkamer is geuit.

Overige bewijsoverwegingen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte algeheel dient te worden vrijgesproken nu geen sprake is van openbaarmaking van een geheim. Verdachte heeft het geheim namelijk in een aantal gesprekken voorafgaand aan de ten laste gelegde periode al openbaar gemaakt aan mr. naam 1 waardoor er geen sprake meer is van een geheim.

De rechtbank is van oordeel dat deze stelling van de raadsman, die erop neerkomt dat een geheim slechts éénmalig kan worden geopenbaard, geen steun vindt in het recht.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook met de mededeling “tijdens die beraadslagingen de twijfel die hij, verdachte, had gaandeweg tot zodanige proporties werd teruggebracht dat hij, ver- dachte, overstag ging“ geen inzicht heeft gegeven in hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. Verdachte heeft niet gezegd dat hij door toedoen van zijn collega raadsheren overstag is gegaan. Overstag gaan is een eigen beslissing.

De rechtbank overweegt het volgende.

De strekking van artikel 7 lid 3 Wet RO is dat rechters in de raadkamer in staat worden gesteld vrijelijk met elkaar te discussiëren zonder dat het gevaar van openbaarmaking bestaat en zonder dat hen de gedachten en gevoelens die ze in de raadkamer hebben geuit kunnen worden tegen- geworpen.

De geheimhoudingsplicht van artikel 7 lid 3 Wet RO omvat de gehele ge- dachtevorming in de raadkamer en de gehele wijze waarop de uiteindelijke beslissing tot stand is gekomen. Het geheim van de raadkamer omvat dus niet alleen de uitlatingen van collega-rechters, maar ook de eigen positie in de beraadslaging. Door het bieden van inzicht in de eigen positie in de raadkamer ontstaat immers een voedingsbodem voor gevolgtrekkingen over de gang van zaken die geheim moeten blijven (vgl ook de conclusie van AG Silvis bij het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2011).

De rechtbank is van oordeel dat de mededeling "tijdens die beraadslagingen de twijfel die hij, verdachte, had gaandeweg tot zodanige proporties werd teruggebracht dat hij, verdachte, overstag ging" inzicht geeft in zijn eigen positie in de raadkamer. Daarmee heeft verdachte zijn geheimhoudingsplicht zoals neergelegd in artikel 7 lid 3 Wet RO geschonden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF