Oplichtingen via Tinder

Rechtbank Den Haag 25 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11144

In november 2014 is bij de politie een aantal aangiftes van oplichting, afdreiging, diefstal en afpersing binnengekomen, waarbij steeds sprake leek te zijn van dezelfde verdachten en dezelfde handelswijze. Hierop is een onderzoek gestart, waarbij de politie nog een aantal soortgelijke aangiftes heeft betrokken betreffende gevallen waarin verdachte en medeverdachte als verdachten naar voren zijn gekomen. Op 27 januari 2015 zijn verdachte en medeverdachte aangehouden. Verdachte wordt thans verweten dat hij zich ten aanzien van elf verschillende aangeefsters heeft schuldig gemaakt aan één of meer strafbare feiten, al dan niet in vereniging gepleegd. Het betreft verdenkingen van afdreiging, oplichting, diefstal, verduistering, afpersing en het voorhanden hebben van een vuurwapen.

De vraag die als eerste aan de rechtbank ter beantwoording voorligt, is of verdachte de persoon is geweest die door de verschillende aangeefsters wordt omschreven. Indien het antwoord op die vraag bevestigend luidt, dient de rechtbank vervolgens een oordeel te geven over de vraag of bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer strafbare feiten.

Ontvankelijkheid OM

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging inzake feit 1, de (poging tot) afdreiging. Afdreiging betreft een klachtdelict. Aangezien slachtoffer 11 nooit om vervolging heeft verzocht kan volgens de raadsman niet worden gesproken van een klacht.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Op pagina 605 van het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2015 waarin aangeefster er door de politie op wordt gewezen dat zij aangifte heeft gedaan inzake een klachtdelict. Aangeefster heeft verklaard dat zij zich hiervan bewust is en ervoor kiest de aangifte door te zetten. Uit het voorgaande blijkt dat aangeefster de vervolging van verdachte wenst. Hiermee is voldaan aan het klachtvereiste. Derhalve verwerpt de rechtbank het verweer.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, zoals verwoord in haar schriftelijk requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verklaart dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan alle (primair) ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, zoals verwoord in zijn schriftelijke pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 8, 10, 11, 12, 13 primair, 15 primair en 17. De raadsman komt hiertoe nu voor deze ten laste gelegde feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsman heeft zich inzake de feiten 6 subsidiair, 9, 13 subsidiair, 14, 15 subsidiair en 16 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling rechtbank

Vrijspraak feiten 6, 8, 10 en 11

Feit 6 – slachtoffer 4

Aangaande feit 6 overweegt de rechtbank dat uit de verklaring van slachtoffer 4 zoals zij deze heeft afgelegd bij de rechter-commissaris niet is gebleken dat zij tot afgifte van haar pas en € 50,- is overgegaan door een van de ten laste gelegde oplichtingsvormen. Slachtoffer 4 heeft daarentegen verklaard dat zij door de dwingende sfeer die in de auto hing is bewogen tot afgifte van haar pas en geld. Gelet hierop komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde oplichting. Nu de pinpas niet vrijwillig is afgegeven, kan dit evenmin leiden tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde verduistering, omdat verdachte de bankpas aldus niet rechtmatig onder zich had. Verdachte wordt derhalve van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken.

Feit 8 - slachtoffer 5

Hoewel de zich in het dossier bevindende aangifte een sterke aanwijzing is voor betrokkenheid van verdachte bij de aan hem onder 8 ten laste gelegde afdreiging, biedt het dossier verder onvoldoende ondersteuning voor de verklaring van aangeefster. Derhalve kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld wat zich heeft afgespeeld in de auto waarin verdachte en aangeefster slachtoffer 5 zich bevonden, zodat de rechtbank verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van dit feit zal vrijspreken.

Feit 10 – slachtoffer 6

Ten aanzien van feit 10 overweegt de rechtbank dat uit de aangifte van slachtoffer 6 is gebleken dat zij in eerste instantie vrijwillig haar telefoon heeft meegegeven aan de vriend van verdachte. Dit brengt met zich dat geen sprake is van wegnemingshandelingen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het rijbewijs en de pas, die in het hoesje van de telefoon zaten. Derhalve dient ook voor dit feit vrijspraak te volgen.

Feit 11 – Voorhanden hebben vuurwapen

De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring te komen van het voorhanden hebben van een vuurwapen door verdachte. Derhalve wordt verdachte ook van dit feit vrijgesproken.

Overige feiten

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen, alsmede de overwegingen inzake de modus operandi, het schakelbewijs en het medeplegen, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten zoals deze zijn ten laste gelegd onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 9, 12, 13 primair, 14, 15 primair, 16 en 17.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: poging tot afdreiging
  • Feit 2: verduistering
  • Feit 3: diefstal
  • Feit 4 en feit 12: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd
  • Feit 5, feit 9 en feit 14: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
  • Feit 7 en feit 16: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
  • Feit 13 primair, feit 15 primair en feit 17: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank ten slotte van oordeel dat de Aanwijzing opsporingsberichtgeving niet van toepassing is.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF