Oplichting schadeverzekeringsmaatschappij en witwassen verzekeringsbedrag uitgekeerd in verband met schade van de slachtoffers van de legionellaramp op de Westfriese Flora

Rechtbank Alkmaar 30 november 2012, LJN BY4726 Essentie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting en heeft de gelden die daarmee door de verdachte werden verworven gebruikt voor andere doelen dan waarvoor ze bestemd waren. De verdachte heeft slachtoffers van de legionellaramp jarenlang onwetend gehouden van het feit dat er door de verzekeringsmaatschappij geld was uitgekeerd. Hij had absoluut niet het recht om de gelden aan te wenden voor eigen gebruik.

Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd (feit 1) dat hij een verzekeringsmaatschappij heeft opgelicht waardoor voornoemde maatschappij werd bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 577.724,11. Subsidiair wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering van genoemd geldbedrag. Onder feit 2 wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij samen met een ander voornoemd geldbedrag heeft witgewassen.

Standpunt officier van justitie 

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen is hetgeen onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd.

Standpunt verdachte/verdediging 

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. primair en subsidiair en het onder 2. ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde heeft de raadsman overeenkomstig de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte zijn medewerking heeft verleend aan de oprichting van de stichting. Naar het oordeel van de raadsman kunnen daarmee de feitelijke uitvoeringshandelingen die zijn ten laste gelegd niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat is ten laste gelegd dat de verdachte een geldbedrag, dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of beheerder van de stichting onder zich had, zich rechtmatig heeft toegeëigend. De raadsman stelt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte bestuurder of beheerder was van de stichting, zodat de verdachte ook ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat, indien er vanuit wordt gegaan dat de verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich had, niet bewezen kan worden dat de verdachte zich het geld wederrechtelijk heeft toegeëigend. De raadsman geeft aan dat op basis van de stukken kan worden vastgesteld dat de verdachte er vanuit kon gaan dat hij het uitgekeerde geld mocht gebruiken voor zijn juridische kosten.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat het bewijs geleverd dient te worden dat de verdachte wist dat het geld, waarover hij de beschikking had gekregen, van misdrijf afkomstig was. De raadsman stelt dat de officier van justitie niet anders kan bedoelen dan dat het een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf moet zijn geweest aangezien het door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde geld van onbesproken herkomst was. De raadsman stelt dat het bewijs voor een door de verdachte gepleegd misdrijf niet is geleverd, zodat hij ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij het door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde geldbedrag zich niet wederrechtelijk heeft toegeëigend, nu hij op basis van afspraken met de verzekeringsmaatschappij er vanuit mocht gaan dat hij het geldbedrag kon gebruiken om de kosten van rechtsbijstand, onderzoekskosten, overige verweerkosten en de kosten met betrekking tot de afwikkeling van de stichting te betalen. De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij alleen en uitsluitend heeft gehandeld op advies van zijn toenmalige advocaat mr. J. van Rhijn. Volgens de verdachte is het vermoedelijk zelfs zijn advocaat geweest die het rekeningnummer heeft doorgegeven waarop uiteindelijk het geldbedrag in 2002 door verzekeringsmaatschappij is gestort.

Beoordeling rechtbank 

De verdachte is enig bestuurder en aandeelhouder van de onderneming van verdachte, een onderneming die zich onder andere bezig houdt met de handel in whirlpools.

Van 19 tot 28 februari 1999 heeft de B.V. een whirlpool geëxposeerd op het evenement te Bovenkarspel. Een aantal bezoekers is tijdens het bezoek aan het evenement besmet geraakt met de Legionella-bacterie. Tweeëndertig mensen zijn als gevolg van de besmetting overleden en honderden mensen zijn ziek geworden. In rapporten van het RIVM wordt aangegeven dat de besmettingsbron vermoedelijk heeft gelegen in een whirlpool die werd geëxposeerd door de onderneming van verdachte.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft in 2001 geoordeeld dat de onderneming van verdachte voorshands aansprakelijk is. De B.V. was ten tijde van het evenement verzekerd voor risico van aansprakelijkheid bij verzekeringsmaatschappij met een maximum verzekerde som van € 453.780,22 (1.000.000 gulden).

Op 22 oktober 2009 heeft is namens het bestuur van Stichting 2, aangifte gedaan verduistering en/of oplichting en/of onttrekking aan rechthebbenden .

In de vaststellingsovereenkomst tussen de onderneming van verdachte en verzekeringsmaatschappij d.d. 21 oktober 2002 is onder meer overeengekomen dat:

  1. verzekeringsmaatschappij haar maximale verplichting onder de polis zijnde EUR 453.780,22 zal storten op de bankrekening van de stichting;
  2. verzekeringsmaatschappij] daarnaast een bedrag betaalt terzake van de wettelijke rente, vanaf het moment van de Legionella besmetting; en
  3. verzekeringsmaatschappij voorts een bedrag groot € 79.411,54 vergoedt terzake van kosten van juridische bijstand en bijstand van deskundigen.

Op 22 oktober 2002 is in Rotterdam, ten kantore van de notaris de oprichtingsakte van de stichting verleden. Deze akte is getekend door de notaris voornoemd en door de schriftelijke gevolmachtigde van de onderneming van verdachte. De B.V. is in de akte als oprichter van de stichting vermeld.

In artikel 2.1 van deze akte is bepaald dat de Stichting ten doel heeft het doen van uitkeringen aan personen die personenschade geleden hebben (of nog zullen lijden) als gevolg van de legionellabesmetting die in de periode van 19 tot 28 februari 1999 heeft plaatsgevonden tijdens het evenement. In artikel 3 van deze akte is vastgesteld dat het vermogen van de Stichting wordt gevormd door verzekeringsuitkeringen. Uit een uittreksel uit het handelsregister van de KvK blijkt dat op dat moment als bestuurders van de Stichting zijn ingeschreven bestuurder 1 t/m 3.

Op 4 november 2002 heeft de advocaat van de verzekeringsmaatschappij, aan de advocaat van de stichting schriftelijk meegedeeld dat een bedrag groot € 577.724,11 op 30 oktober 2002 is overgemaakt naar het bankrekeningnummer ten name van de stichting, overeenkomstig de aanwijzingen van verdachte.

Bij vonnis van de kort gedingrechter te Zutphen van 14 mei 2009 is het vermogen van de stichting onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft in zijn verslag van 28 mei 2009 gerapporteerd dat hij contact heeft gezocht met de bestuursleden van de stichting en dat zij een beeld schilderen als zouden zij een vrienden c.q. familiedienst aan de verdachte hebben willen bewijzen. Het bestuur van de Stichting heeft nooit vergaderd, er werd geen boekhouding bijgehouden en er is door hen nimmer de aanwezigheid van gelden binnen de Stichting geconstateerd.

De bewindvoerder heeft verder gerapporteerd dat hem bekend is geworden dat een rekening ten name van de stichting bij de Bank niet bestaat en dat het rekeningnummer een rekeningnummer betreft van de bank te Heerhugowaard ten name van verdachte inz stichting.

De getuige bestuurder2 heeft verklaard dat hij op verzoek van de verdachte, zijn vroegere buurman, toegetreden is tot het bestuur van de stichting. De getuige heeft verklaard dat de Stichting niets voorstelde, er waren geen vergaderingen en er werden geen notulen bijgehouden. Hij had nimmer contact met de andere bestuursleden .

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij het totale door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde geldbedrag heeft besteed aan advocaatkosten, onderzoekskosten en (eigen) loonderving als gevolg van het procederen in deze zaak.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen de verzekeringsmaatschappij heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 577.724,11.

De verdachte is aanwezig geweest bij een bespreking in mei 2002 naar aanleiding waarvan naderhand een vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen de verzekeringsmaatschappij en de onderneming van verdachte en welke overeenkomst door de verdachte is getekend. Vervolgens is een dag later door de onderneming van verdachte de stichting opgericht ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Het is de verdachte geweest die het bestuur van deze “slapende stichting” heeft vorm gegeven, door familie en kennissen te benaderen om in het bestuur van deze stichting plaats te nemen.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte welbewust heeft gehandeld in strijd met zowel de vaststellingsovereenkomst als met de statuten van de stichting.

Uit voorgaande bewijsmiddelen komt naar voren dat op aanwijzingen van de verdachte de verzekeringsuitkering is gestort op rekeningnummer. Dit was niet een rekeningnummer van de stichting, maar een rekeningnummer op naam van verdachte inz stichting. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdachte dat dit rekeningnummer al bestond geruime tijd voor de opstelling van de vaststellingovereenkomst en vermoedelijk is doorgegeven door zijn advocaat mr. J. van Rhijn. De rechtbank acht het namelijk zeer onaannemelijk dat een advocaat zonder medeweten van zijn cliënt een van diens rekeningnummers doorgeeft aan een derde. Uit een mutatieoverzicht van voornoemd rekeningnummer op blz. 243 blijkt dat het beginsaldo op 1 november 2002 nul euro bedraagt. In een memorandum van Houthoff Buruma advocaten wordt gememoreerd dat verdachte de rekening eerst op 29 oktober 2002, na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, heeft geopend. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte bij de tenaamstelling van dit rekeningnummer er bewust voor heeft gekozen om de naam stichting toe te voegen aan een privé rekeningnummer. Uit het verhoor van de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris op 11 mei 2012 kan worden afgeleid dat de verzekeringsmaatschappij door de naam “stichting” werd bewogen om uit te keren op dit rekeningnummer.

Ook acht de rechtbank het onder 2. ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen. Zoals hiervoor al uiteen is gezet heeft verdachte als heer en meester over het gestorte geldbedrag beschikt. Hij heeft dat geld gebruikt voor andere doelen dan waarvoor het bestemd was, terwijl hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF