Oplichting door gebruik te maken van een valse hoedanigheid

Rechtbank Limburg 8 oktober 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:7580

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en heeft daartoe verwezen naar de aangifte en de verklaring van verdachte dat hij wist dat hij de taxirit niet kon betalen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken, nu er in de ogen van de verdediging geen sprake is geweest van het aannemen van een valse hoedanigheid en derhalve ook niet van oplichting. De raadsman heeft daartoe verwezen naar een aantal arresten van de Hoge Raad.

Het oordeel van de rechtbank

Op 28 mei 2013 heeft benadeelde aangifte gedaan van flessentrekkerij. Hij heeft verklaard dat hij werkzaam is als taxichauffeur voor de firma Besttax te Liempde. Op 28 mei 2013 kreeg hij de opdracht een klant op te halen op de adres 1 te Vught. De klant, zijnde verdachte, stapte in de taxi en zei dat hij naar de adres 2 in Vught moest. Toen aangever met verdachte aankwam op de plaats van bestemming zei verdachte dat hij geen geld had en niet ging betalen.

Verdachte heeft op 28 mei 2013 bij de politie verklaard dat hij die dag een taxi heeft genomen naar de gevangenis in Vught. Toen hij daar aankwam en de rit moest afrekenen kon hij dit niet, omdat hij geen geld bij zich had. Hij wist dat hij geen geld bij zich had en wist ook dat hij hierdoor in de problemen zou komen, maar hij probeerde het gewoon.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 mei 2013 taxichauffeur benadeelde heeft opgelicht.

De rechtbank overweegt hieromtrent nog het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting op 17 september 2013 verklaard dat hij wel voornemens was de taxirit te betalen, maar dat hij er op de plaats van bestemming plots achter kwam dat hij zijn bankpas kwijt was. Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu deze haaks staat op zijn eerdere verklaring die hij aflegde direct nadat het feit zich had voorgedaan.

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van oplichting, omdat uit de jurisprudentie zou volgen dat het enkele feit dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als betalende klant niet beschouwd kan worden als het aannemen van een valse hoedanigheid, zoals vereist in artikel 326 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit de door de verdediging genoemde jurisprudentie blijkt dat geen sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid indien iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide koper/huurder van een woning of een auto. In deze gevallen gaat het echter om situaties waarbij het gebruikelijk en in het maatschappelijke verkeer geaccepteerd is dat de verkoper/verhuurder vooraf nadere informatie vraagt over de kredietwaardigheid van de beoogde koper/huurder. In dat geval is het enkel zich voordoen als bonafide koper/huurder - zonder daar bijvoorbeeld bij te vermelden dat men ook in staat is aan de betalingsverplichting te voldoen - onvoldoende om te kunnen spreken van het aannemen van een valse hoedanigheid.

In de onderhavige situatie gaat het echter om een situatie waarbij men afgaat op een in het maatschappelijk verkeer geldend gedragspatroon zonder nader onderzoek te doen naar de juistheid van de wijze waarop iemand zich presenteert, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij bezoekers van een restaurant of andere horecagelegenheid. Indien in dergelijke gevallen op bedrieglijke wijze gebruik wordt gemaakt van dat in het maatschappelijke verkeer geldend gedragspatroon, is er wel sprake van het aannemen van een valse hoedanigheid – en daarmee sprake van oplichting. Het verweer van de raadsman gaat dan ook niet op.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF