Oplegging geldboete wegens het opzettelijk gebruik maken van een vals rapport met betrekking tot (mogelijk) verontreinigde grond

Rechtbank Oost-Brabant 25 oktober 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5862

Feiten

De aanbesteding

Op het adresplaats 2 bevindt zich de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van Waterschap “waterschap”. Aan de oostelijke kant grenst het terrein aan de oever van de rivier waterschap. Het waterschap “waterschap” heeft in 2008 werkzaamheden aanbesteed, bestaande uit het uitgraven van een meander op dit terrein.

De inschrijvers bij deze aanbesteding hebben voorafgaand aan de inschrijving kunnen kennisnemen van een werkomschrijving. Daarin is vermeld dat bij de meander circa 8.500 m3 grond vrij komt en dat de ontgraven hoeveelheid grond moet worden afgevoerd en niet op het terrein verwerkt mag worden. Bij de werkomschrijving zijn drie onderzoeksrapporten over de te ontgraven grond als bijlage gevoegd. Deze rapporten zijn opgesteld door bedrijf 2 (hierna te noemen: bedrijf 2) op basis van door haar uitgevoerd onderzoek en daarbij is gebruik gemaakt van resultaten van door bedrijf 5 verricht laboratoriumonderzoek. Ten behoeve van dit onderzoek werd door bedrijf 2 de af te graven grond bemonsterd in vier delen, genoemd MM1, MM2, MM3 en MM4. Bedrijf 2 concludeerde dat de delen MM1 en MM2 als categorie 1 grond kon worden gekwalificeerd, hetgeen betekent dat de grond toepasbaar is in andere werken. Ten aanzien van de delen MM3 en MM4 verwachtte bedrijf 2 dat na een partijkeuring waarbij die delen in acht vakken werden opgesplitst, drie vakken niet toepasbaar zouden blijken vanwege een verontreiniging met minerale olie en cadmium. Vijf vakken zouden naar verwachting categorie 1 grond zijn, en daarmee als zodanig toepasbaar.

Op het werk hebben vier aannemers ingeschreven, voor de inschrijfsom van respectievelijk € 32.000, € 117.600, € 169.656 en € 191.300. De laagste inschrijver was bedrijf 3.

Waterschap waterschap heeft het werk gegund aan bedrijf 3.

Op 19 augustus 2008 heeft een opsporingsambtenaar van het Regionaal Milieu Team van de politie Brabant-Noord geconstateerd dat een begin was gemaakt met de uitvoering van het werk en dat ook op de locatie waar volgens het rapport van bedrijf 2 de grond mogelijk met cadmium was verontreinigd, was ontgraven. De ontgraven grond is toegepast bij de aanleg van een viaduct en de verbreding van de A58 (ook wel wegenbouwkundig project Ekkersrijt genoemd) in de gemeente Son en Breugel. Op een transportdocument dat een van de chauffeurs van de vrachtwagens met grond aan de opsporingsambtenaren overhandigde stondbedrijf 3 vermeld als ontdoener van de grond en stond als ontvanger van de grond vermeld: bedrijf 4, zijnde de uitvoerder van het wegenbouwkundig werk Ekkersrijt.

Meldingsformulier Bouwstoffen

Ter terechtzitting van 17 juni 2013 heeft persoon 1, middellijk bestuurder van verdachte, hierna te noemen verdachte, verklaard dat hij bij het wegenbouwkundig project Ekkersrijt was betrokken als melder van grondwerkzaamheden en daartoe met het bevoegd gezag communiceerde. verdachte is statutair gevestigd te plaats 1.

Op 28 juli 2008 heeft verdachte als gemachtigde van bedrijf 4 aan de gemeente Son en Breugel melding gedaan van het gebruik van bouwstoffen in het werk Ekkersrijt te Son en Breugel. In het meldingsformulier bouwstoffen heeft verdachte vermeld dat de bouwstof die gebruikt gaat worden categorie 1 grond betreft en dat als bewijs voor de samenstelling een partijkeuring wordt bijgevoegd, uitgevoerd door bedrijf 1, gedateerd 25 juli 2008 en genummerdnummer.

Totstandkoming rapport bedrijf 1

Ter terechtzitting van 17 juni 2013 heeft persoon 1, middellijk bestuurder van verdachte, verklaard dat in de maand mei van het jaar 2008 tussen hem en de bedrijfsleider vanbedrijf 3, persoon 2 genaamd, telefonisch verkeer (herhaaldelijk) en

e-mailverkeer heeft plaatsgevonden. Tot dat e-mailverkeer behoort de navolgende e-mail van persoon 2 aan hem, persoon 1, d.d. 28 mei 2013:

persoon 1,

bij een te calculeren werk op de locatie komt 7440 m3-vast cat-1 vrij en 2355 m3-vast matig verontreinigde, niet toepasbare grond (volgens de onderzoeken).

De grond is ten eerste in-situ onderzocht middels een partijonderzoek d.d. 04-01-08. Hieruit is afgeleid dat een deel van de partij cat-1 is (MM1 en MM2), MM3 en MM4 voldoen niet aan cat-1.

Op MM3 en MM4 is een uitloogproef uitgevoerd d.d.19-02-08. Conclusie is dat MM3 en MM4 niet toepasbaar zijn.

In het navolgend indicatief onderzoek, d.d. 09-04-08, zijn MM3 en MM4 verder opgedeeld en opnieuw onderzocht. Hieruit komt naar voren dat van de 8 deelpartijen er 3 als niet toepasbaar worden beschouwd en de rest als cat-1.

De diverse rapporten zijn in de bijlage toegevoegd.

Hoe creatief kunnen we met bovenstaande omgaan? Het makkelijkst is 7440 m3-vast cat-1 en 2355 m3-vast afvoeren naar een reiniger, maar misschien is hier iets slims op te bedenken.

Kun jij je licht hier eens over laten schijnen?

Aanbesteding is op 4 juni.

Wanneer er vragen zijn dan hoor ik het wel.

Met vriendelijke groet,

persoon 2

Op 30 mei 2008 antwoordt persoon 1 als volgt:

Klopt, klopt en klopt: aannemen als cat 1 grond!

Met vriendelijke groet,

verdachte

persoon 1

Persoon 1 heeft ter terechtzitting van 17 juni 2013 verklaard dat hij bedrijf 1, hierna te noemen bedrijf 1, heeft ingeschakeld voor het herkeuren van de partij grond.

Op 3 juli 2008 brengt bedrijf 1 aan verdachte een offerte uit voor de herkeuring van de partij grond. In de offerte staat vermeld:

Bekende bodemonderzoeken:

Op de locatie is reeds eerder bodemonderzoek uitgevoerd door bedrijf 2. Volgens informatie van de opdrachtgever blijkt dat circa 75% van de partij volgens het Bouwstoffenbesluit kan worden geclassificeerd als schone grond. De overige 25% betreft categorie 1 grond.

Voorafgaand aan het door bedrijf 1 te verrichten onderzoek is door verdachte een situatietekening aangeleverd, welke was opgesteld door bedrijf 2 op 3 januari 2008 met kenmerk kenmerk 1. Op deze tekening zijn kruisjes te zien. Volgens de legenda betreffen dit boringen ten behoeve van de monstername. Voorts is op deze tekening de grens van de onderzoekslocatie zichtbaar. Ook is te zien dat de onderzoekslocatie door een lijn van oost naar west in tweeën is verdeeld en dat het ene deel MM1+2 wordt genoemd en het andere deel MM3+4.

Persoon 3, bestuurder van bedrijf 1, heeft verklaard dat de partijindeling is gemaakt op basis van de door verdachte voorafgaand aan de offerte aangeleverde gegevens en dat zij op basis van informatie van verdachte als uitgangspunt heeft gehanteerd dat 75% van de partij schoon is en 25% als categorie 1 zou moeten worden beschouwd. Hiermee rekening houdende was er geen aanleiding om op basis van de bekende gegevens een voorkeur voor een partijindeling aan te houden. Ook persoon 4, werkzaam bij bedrijf 1 en project-verantwoordelijke voor de partijkeuring, heeft verklaard dat de informatie omtrent de 75% schone en 25% categorie 1 grond, afkomstig was van verdachte. persoon 1 had die informatie telefonisch aan persoon 4 gegeven en had de offerte ondertekend. Bij de keuze van de partijindeling heeft een eventuele vervuiling geen rol gespeeld, want daarvan was bedrijf 1 niet op de hoogte, aldus persoon 4.

Bij de stichting is een Centraal College van Deskundigen Bodembeheer (CCvD) ondergebracht. Dit college heeft op 10 december 2004 een protocol (VKB protocol 1001, versie 1) vastgesteld voor monsternemingen van grond voor partijkeuringen op grond van het Bouwstoffenbesluit (Bsb). In de offerte van bedrijf 1 aan verdachte is onder “onderzoeksstrategie” vermeld dat de werkzaamheden worden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 1000 (versie 7, 3 maart 2005) conform VKB protocol 1001 (versie 1, 10 december 2004).

In hoofdstuk 6 van het VKB protocol 1001, dat handelt over de werkwijze, is voorgeschreven:

De monsterneming geschiedt op basis van een monsternemingsplan dat vooraf onder verantwoordelijkheid van de projectleider wordt opgesteld op basis van de beschikbare gegevens over de partij.

Verdachte heeft de drie door bedrijf 2 opgestelde onderzoeksrapporten niet voorafgaand aan de door bedrijf 1 te verrichten monsterneming aan bedrijf 1 doen toekomen. bedrijf 1 heeft op 10 juli 2008 veldwerk verricht ten behoeve van de partijkeuring. Op 24 juli 2008 heeft verdachte op verzoek van bedrijf 1 de rapporten van bedrijf 2 betreffende het “Partijonderzoek”, het “Uitloogonderzoek” en het “Indicatief onderzoek” toegezonden. Het rapport van bedrijf 1 is een dag later, op 25 juli 2008, aan verdachte per post toegezonden.

Het rapport van bedrijf 1 vermeldt in het hoofdstuk “vooronderzoek” de rapporten van bedrijf 2 betreffende het “Partijonderzoek” en het “Uitloogonderzoek”. Het rapport van bedrijf 2 betreffende het “Indicatief onderzoek” wordt niet vermeld. Bij het rapport van bedrijf 1 is een situatietekening van de locatie gevoegd waarop de grenzen van de partij te zien zijn, alsmede boorpunten ten behoeve van de monstername. Een lijn lopend van noord naar zuid verdeelt de partij in 2 delen.

De conclusies van het rapport van bedrijf 1 zijn dat de partij grond, getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit, voldoet aan de klasse industrie en dat de partij grond, getoetst aan het Bouwstoffenbesluit, geclassificeerd wordt als categorie 1 of 2 grond. Voor de definitieve classificatie conform het Bouwstoffenbesluit zou nog uitloogonderzoek nodig zijn maar omdat de opdrachtgever verdachte beschikt over het productcertificaat BRL 9335-1, dient van slechts 1 op de 25 partijen een uitloogonderzoek uitgevoerd te worden, zodat de partij onder dit productcertificaat kan worden geclassificeerd als categorie 1 grond.

Bewijsoverweging

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat persoon 1 in zijn hoedanigheid van bestuurder van verdachte reeds eind mei 2008 er van op de hoogte was dat een gedeelte van de partij grond mogelijk in wezenlijke mate verontreinigd was en als gevolg daarvan volgens het Bouwstoffenbesluit niet toepasbaar. In de e-mail van 28 mei 2008 wordt persoon 1 immers door persoon 2 duidelijk geïnformeerd over ‘matig verontreinigde, niet toepasbare grond’ en dat het ‘het makkelijkst is deze af te voeren naar een reiniger’. Op de vraag ‘hoe creatief kunnen we hiermee omgaan’ en ‘misschien is hier iets slims op te bedenken’ antwoordt persoon 1 twee dagen later, zonder dat enige vorm van tussentijds aanvullend onderzoek heeft plaatsgehad, ‘aannemen als categorie 1 grond’. Dat persoon 1, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, dit antwoord cynisch heeft bedoeld omdat persoon 2 slechts vragen bleef stellen maar aan verdachte nog altijd geen opdracht had gegeven, is volstrekt onaannemelijk. De latere handelwijze van betrokkenen wijst eerder op het tegendeel. Uit niets is gebleken dat persoon 2 het antwoord als cynisch bedoeld zou hebben opgevat, gelet op de prijs waarvoor is ingeschreven op het werk te plaats 2. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat er hoge kosten kunnen zijn gemoeid met het afvoeren van vervuilde, niet toepasbare, grond. Ook aan dit gegeven komt betekenis toe bij het interpreteren van het hierboven weergegeven mailverkeer.

Ondanks de wetenschap dat een gedeelte van de partij grond mogelijk verontreinigd was, spiegelde persoon 1 bedrijf 1 aanvankelijk voor dat de grond voor 75% schoon was en voor 25% categorie 1. Vervolgens werden de rapporten van bedrijf 2, waaruit de reële mogelijkheid voortvloeit dat sprake was van een aanzienlijk zwaardere mate van verontreiniging, in een zodanig laat stadium door verdachte verstrekt dat deze bij de monsterneming geen rol meer konden spelen. Vooral het niet beschikken over het rapport betreffende het “Indicatief onderzoek” komt betekenis toe, aangezien dit laatste rapport bedrijf 1 zou hebben geïnformeerd over een mogelijk serieuze verontreiniging en de locatie daarvan. Had bedrijf 1 die informatie wel tijdig gehad, dan had dit tot een andere partijindeling behoren te leiden dan de thans door haar gekozen indeling.

persoon 1 heeft aldus bewust de rapporten van bedrijf 2, waarvan hij wist dat zij in redelijkheid bepalend konden zijn voor het door bedrijf 1 uit te voeren onderzoek, voor bedrijf 1 achtergehouden. Wetende dat bedrijf 1 zou gaan werken volgens het VKB-protocol 1001, wist persoon 1 derhalve ook dat de nieuwe monsterneming niet op basis van de beschikbare gegevens zou plaatsvinden. Voorts moest persoon 1 vermoeden dat bedrijf 1, indien bedrijf 1 pas in een veel later stadium kennis zou nemen van de rapporten van bedrijf 2, de keuze zou maken in haar eigen rapport geen melding te maken van het rapport van bedrijf 2 betreffende het indicatief onderzoek en aldus een onvolledig beeld van de partij grond zou verschaffen. Na ontvangst van het rapport van bedrijf 1 wist persoon 1 dat hij op deze wijze de beschikking had gekregen over een rapport dat een (veel) te rooskleurig, dus onjuist, beeld gaf van (de samenstelling van) tenminste een gedeelte van de af te graven grond. Deze gedragingen van persoon 1 kunnen redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend, aangezien persoon 1 als middellijk bestuurder van verdachte de rechtspersoon leidde en bovenal omdat hij persoonlijk directe feitelijke bemoeienis had bij deze gedragingen van verdachte. Door vervolgens het rapport van bedrijf 1 als bijlage te voegen bij het Meldingsformulier Bouwstoffen, heeft verdachte opzettelijk van een vals rapport gebruik gemaakt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen als hierna te melden.

Bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van 1 primair:

op 28 juli 2008 te Someren en/of te Son en Breugel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals rapport, te weten het door bedrijf 1opgemaakte rapport, genummerdnummer en gedateerd 25 juli 2008, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dit rapport echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat zij, verdachte dit valse rapport als bijlage heeft gevoegd bij het Meldingsformulier Bouwstoffen bestemd voor melding van gebruik van categorie I grond aan de gemeente Son en Breugel en bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid

  • werd vermeld dat de werkzaamheden uitgevoerd waren conform het in het certificaat BRL SIKB 1000 (versie 7, 3 maart 2005) genoemde VKB protocol 1001 (versie 1, 10 december 2004) van het SIKB, immers vond de monsterneming niet plaats op basis van een monsternemingsplan dat was opgesteld op basis van de beschikbare gegevens van de partij overeenkomstig paragraaf 6 VKB protocol 1001 en
  • onder paragraaf 2.2 "bekende bodemonderzoeken" was nagelaten te vermelden dat er op de locatie eerder door bedrijf 2 een (aanvullend) indicatief onderzoek was uitgevoerd, rapport van 9 april 2008 met kenmerk kenmerk 3.

Strafoplegging

Verdachte heeft door haar gedragingen die hebben geleid tot het ontgraven, transporteren en toepassen van verontreinigde grond welbewust een gevaar voor anderen in het leven geroepen.

Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de wet- en regelgeving aangaande het uitvoeren van handelingen aan een (mogelijk) verontreinigde bodem. Verdachte heeft immers op slinkse wijze een erkend bedrijf op het gebied van bodemonderzoek betrokken bij het accrediteren van een hoeveelheid niet toepasbare grond, waarbij zij bedrijfseconomische motieven heeft geplaatst boven wettelijke milieuvereisten en de daarop rustende maatschappelijke verantwoordelijkheden ten aanzien van verontreinigde grond.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 18.000 waarvan EUR 9.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF