Opheffing voorlopige maatregel onderbewindstelling (ex art. 29 WED) na tweetal controles

Gerechtshof Den Haag 15 juli 2015, 09-994522-14, 09-994523-14, 09-994524-14 en 09-994527-14 (niet gepubliceerd) Bij vonnis van de Rechtbank Den Haag van 28 april 2015 is appellant veroordeeld ter zake van het meerdermalen niet voldoen aan de plicht om dieren te registeren overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren.

Omdat de rechtbank van oordeel was dat er tegen appellant ernstige bezwaren waren gerezen en dat de belangen die door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden beschermd een onmiddellijk ingrijpen vereisten, heeft de rechtbank bij aparte beslissing als voorlopige maatreel als bedoeld in art. 29 WED met onmiddellijke ingang de onderbewindstelling van de onderneming van appellant bevolen.

Namens appellant is tegen die aparte beslissing hoger beroep ingesteld en is verzocht om opheffing van de voorlopige maatregel.

Beoordeling

Gebleken is dat, nadat de onderbewindstelling als voorlopige maatregel is bevolen, met betrekking tot de dieren die appellant houdt op twee tijdstippen een controle is uitgevoerd. Tijdens die controles bleek dat de registratie van de dieren in orde was. Er werden geen nalatigheden geconstateerd.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer medegedeeld dat in de toekomst controles zullen worden blijven uitgevoerd. Gelet op het vorenstaande ziet het hof – met de AG en de verdediging – geen reden om de voorlopige maatregel van onderbewindstelling te laten voortduren.

Het hof vernietigt de beslissing van de Rechtbank Den Haag waarin de onderbewindstelling van de onderneming van appellant is bevolen en heft de voorlopige maatregel met onmiddellijke ingang op.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF