Ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep. Is de akte van uitreiking appeldagvaarding door verdachte getekend?

Hoge Raad 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2393

De verdachte is bij arrest van 15 september 2015 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 de in artikel 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Het middel bedoelt kennelijk te klagen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer het volgende van belang:

(i) het bestreden arrest, waarbij de verdachte bij verstek tot straf is veroordeeld, is uitgesproken op 15 september 2015;

(ii) bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat die appeldagvaarding op 31 juli 2015 aan de verdachte in persoon is uitgereikt; deze akte is onder "Handtekening voor ontvangst" voorzien van een handtekening;

(iii) blijkens de daarvan opgemaakte akte is het beroep in cassatie ingesteld op 13 oktober 2015.

In de cassatieschriftuur is aangevoerd dat de verdachte niet degene is aan wie voormelde appeldagvaarding in persoon is uitgereikt en die de akte van uitreiking heeft ondertekend. Daartoe zijn een kopie van een ten name van de verdachte gestelde, op 7 juni 2012 afgegeven, identiteitskaart en een kopie van een ten name van de verdachte gesteld, op 7 juni 2012 afgegeven, paspoort overgelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat - anders dan is betoogd - de op voormelde akte van uitreiking geplaatste handtekening niet zodanig afwijkt van de op voornoemde identiteitsbewijzen geplaatste handtekeningen en van de handtekeningen die door de verdachte zijn gezet op, in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 vermelde, andere stukken die zich in het dossier bevinden, dat moet worden aangenomen dat het niet de verdachte is die de handtekening op de akte van uitreiking heeft geplaatst.

Gelet hierop had het beroep ingevolge art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv moeten zijn ingesteld binnen veertien dagen na 15 september 2015, de datum waarop het bestreden arrest is uitgesproken. Nu het beroep eerst is ingesteld op 13 oktober 2015, kan de verdachte in dat beroep niet worden ontvangen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF