Ontneming na veroordeling wegens uitvoeren van medische handelingen, terwijl verdachte geen arts was

Rechtbank Gelderland 24 november 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6413

De verdediging heeft verzocht de behandeling van de ontnemingsvordering aan te houden, totdat het hof arrest heeft gewezen in het ingestelde hoger beroep in de hoofdzaak. Dit is naar het oordeel van de verdediging wel zo praktisch. Verder heeft de verdediging gewezen op het reparatoire karakter van de ontneming. Enkel wat onrechtmatig is verkregen, dient terug te worden betaald. Het zou daarom zuiverder zijn om het hoger beroep af te wachten, nu in hoger beroep, wellicht na het horen van een aantal gevraagde getuigen, een andere bewijsbeslissing kan volgen.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Een ontnemingszaak kan tegelijkertijd met de strafzaak behandeld worden. De wet voorziet ook in de mogelijkheid van een afzonderlijke behandeling. Bij vonnis van 25 juni 2015 is veroordeelde veroordeeld voor meerdere strafbare feiten. Het is in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen om de ontnemingszaak nu, anderhalf jaar later, af te doen. De rechtbank ziet, mede gelet op het ontbreken van een wettelijke verplichting daartoe, geen aanleiding om te wachten op het arrest van het hof. Dit had wellicht anders kunnen zijn indien de zittingsdatum bij het hof binnen enkele weken was geweest. Dit is niet het geval. Voorts is het gelet op het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen in hoger beroep nog maar de vraag of de strafzaak begin volgend jaar door het hof zal worden afgedaan. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat, indien veroordeelde zich niet in onderhavige uitspraak kan vinden, hij hiertegen in hoger beroep kan gaan en in hoger beroep de strafzaak en de ontnemingszaak tegelijkertijd behandeld kunnen worden.

De beoordeling van de vordering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor de onderbouwing van de ontnemingsvordering verwezen naar het proces-verbaal ten behoeve van de ontnemingszaak (hierna: het proces-verbaal) en het vonnis van 25 juni 2015. Uit het vonnis van de rechtbank volgt dat veroordeelde benadeelde 1 voor een bedrag van €67.765 heeft opgelicht. In het proces-verbaal is uiteengezet wat veroordeelde met het geld heeft gedaan.

De oplichting van benadeelde 2 stond niet op de tenlastelegging in de hoofdzaak, maar er zijn voldoende aanwijzingen dat veroordeelde zich hieraan schuldig heeft gemaakt en hierdoor ook wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Benadeelde 2 is – net als een aantal andere gedupeerden in de hoofdzaak – met veroordeelde mee naar China gegaan voor het ondergaan van een medische behandeling. Benadeelde 2 onderging in China een behandeling in een zuurstofcabine om zijn bloedvaten in zijn dove oor zachter te maken. Op de terugweg naar Nederland besprak veroordeelde met benadeelde 2 dat er in Nederland niet van zulke zuurstofcabines waren, waarna veroordeelde en naam 1 (hierna: naam 1 ) bij benadeelde 2 thuis langskwamen om te spreken over een investering in hyperbare zuurstofcabines. Op 18 juli 2012 heeft veroordeelde met benadeelde 2 een investeringsovereenkomst afgesloten, op basis waarvan benadeelde 2 €250.000 overmaakte aan veroordeelde. Op 19 september 2012 werd nog een aanvullende overeenkomst gesloten, op basis waarvan benadeelde 2 aan veroordeelde nog eens €60.000 overmaakte. In het proces-verbaal is uiteengezet dat dit geld niet voor de afgesproken bestemming is gebruikt. Veroordeelde heeft doen voorkomen dat er een vennootschap genaamd ‘bedrijf 4’ zou zijn opgericht en heeft daartoe verschillende valse stukken opgemaakt. Tevens zijn er meerdere andere valselijk opgemaakte stukken aangetroffen waarmee veroordeelde benadeelde 2 vermoedelijk op het verkeerde been heeft gezet. Gewezen wordt op een stuk waaruit volgt dat veroordeelde met professor naam 2 gedurende drie jaar onderzoek zou doen dat door het Europees Parlement gefinancierd zou worden en een brief van het Ministerie van Volksgezondheid over een miljoenensubsidie, die veroordeelde zou krijgen in verband met onderzoek naar hyperbare zuurstoftherapie. Als kosten dienen op het genoten voordeel in mindering te worden gebracht de aanschaf van twee zuurstofcabines (€2.802) en een generator (€4.325). Dat maakt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit moet worden geschat op een bedrag van €302.873 (€310.000 -/- €7.127).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de oplichting van benadeelde 1 de vraag opgeworpen of het voordeel gelijk is aan het bedrag waarvoor veroordeelde haar zou hebben opgelicht. Ten aanzien van benadeelde 2 is aangevoerd dat onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde hem heeft opgelicht. Dat benadeelde 2 zich opgelicht voelde, is daartoe onvoldoende. Ook is daartoe onvoldoende dat het aannemelijk zou zijn dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Verder brengt het enkel niet nakomen van gemaakte afspraken nog geen oplichting met zich. Daarnaast is onduidelijk waaruit zou blijken dat sprake is van door veroordeelde valselijk opgemaakte stukken. Als er al sprake is geweest van oplichting, is het naam 1 die zich daaraan schuldig heeft gemaakt.

De beoordeling van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 25 juni 2015 tegen veroordeelde gewezen vonnis.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Ten aanzien van de geschatte omvang van voornoemd voordeel, acht de rechtbank het volgende van belang.

Benadeelde 1

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 25 juni 2015 (onder meer) veroordeeld voor het meermalen oplichten van benadeelde 1. Bewezen is verklaard dat veroordeelde door het aannemen van een valse hoedanigheid, een of meer kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, benadeelde 1 heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van €60.000 en €7.765 aan veroordeelde. Kosten zijn gesteld, noch gebleken.

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen als gevolg van de oplichting van benadeelde 1 daarom vast op €67.765.

Benadeelde 2

Dat de oplichting van benadeelde 2 niet door het Openbaar Ministerie ten laste is gelegd in de strafzaak, maakt gelet op voornoemd artikellid niet dat eventueel verkregen wederrechtelijk voordeel als gevolg van die oplichting niet aan veroordeelde kan worden ontnomen. De rechtbank wijst hierbij op het opportuniteitsbeginsel. Het is de keuze van de officier van justitie welke feiten er op de dagvaarding komen te staan. In dit geval is er een objectieve reden aan te wijzen waarom ervoor gekozen is dit feit niet ten laste te leggen: benadeelde 2 had geen aangifte gedaan om (verder) gezichtsverlies binnen zijn gezin en woongemeenschap te voorkomen. Blijkbaar was dit voor de officier van justitie reden om veroordeelde hiervoor niet te vervolgen. Aan ontneming van het als gevolg van de oplichting genoten voordeel staat dit niet in de weg.

De vraag die beantwoord dient te worden is of er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde benadeelde 2 heeft opgelicht. En, zo ja, of er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vonnis

Bij vonnis van 25 juni 2015 is bewezen verklaard dat veroordeelde enig aandeelhouder en bestuurder (‘eigenaar’) was van de besloten vennootschap bedrijf 1 (hierna: bedrijf 1 ). Veroordeelde heeft in zijn bedrijf 1 bij meerdere cliënten de indruk gewekt een gediplomeerd arts te zijn. Dit deed hij onder andere door het voeren van de bedrijfsnaam ' bedrijf 1 ', door de inrichting en aankleding van het bedrijf, door het dragen van een witte jas en het voeren van de titel 'MD'. Als zogenaamde arts heeft veroordeelde meerdere cliënten van het bedrijf 1 'behandeld'. Voordat in augustus 2013 de naam en rechtsvorm van het bedrijf veranderden, betrof veroordeeldes onderneming een eenmanszaak genaamd bedrijf 2.

Verklaring benadeelde 2

Benadeelde 2 heeft verklaard dat hij van naam 3 vernam dat veroordeelde als arts werkte. De vrouw van benadeelde 2 liet zich door veroordeelde aan haar voeten behandelen. Benadeelde 2 vroeg veroordeelde of hij iets kon doen aan de doofheid van zijn ene oor (als gevolg van een tia). Op verzoek van veroordeelde verstrekte benadeelde 2 zijn medisch dossier, dat door veroordeelde naar China werd gestuurd. Veroordeelde zou daar contact hebben met dokter naam 2. Na enige tijd vertelde veroordeelde dat benadeelde 2 in China geholpen kon worden. Benadeelde 2 ging met veroordeelde mee naar China. In het ziekenhuis in China vertaalden veroordeelde en naam 3 een en ander voor hem. Volgens dokter naam 2 kon er aan zijn doofheid niets gedaan worden vanwege harde bloedvaten. Wel werd hij nog behandeld in een zuurstofcabine. Door deze behandeling zouden zijn bloedvaten zachter worden. Op de terugweg naar Nederland hadden veroordeelde, naam 3 en benadeelde 2 een gesprek over zuurstofcabines. Deze cabines waren er niet in Nederland. Als ze er wel zouden zijn, zou benadeelde 2 in Nederland behandeld kunnen worden. Bij terugkomst in Nederland kwamen veroordeelde en naam 3 bij benadeelde 2 thuis langs om over een investering in het zuurstofproject met hem te praten. Het project zou vijf ton kosten. benadeelde 2 vernam dat naam 3 de helft zou investeren. Omdat benadeelde 2 ervan overtuigd was dat naam 3 de investeringsovereenkomst had getekend, deed hij dat ook en maakte hij €250.000 over naar veroordeelde. Hij en naam 3 zouden een rendement van 9 % op hun investering krijgen. Enige tijd later kwam naam 3 bij benadeelde 2 thuis en vertelde hij hem dat er een aanpassing gedaan moest worden, die nog eens €120.000 kostte. Naam 3 zou daarvan €60.000 betalen. Het was de bedoeling dat benadeelde 2 de andere helft betaalde. Naam 3 had daarvoor al een overeenkomst bij zich. Benadeelde 2 tekende deze overeenkomst en maakte vervolgens ook de €60.000 aan veroordeelde over. Op 3 december 2013 vond een vergadering plaats, waarbij veroordeelde, de heer en mevrouw naam 3 en de heer en mevrouw benadeelde 2 aanwezig waren. Gezegd is dat er op dat moment al €831.000 geïnvesteerd was.

Schriftelijke overeenkomsten

Tijdens de doorzoeking bij het bedrijf 1 werd onder andere een investeringsbijeenkomst van 18 juli 2012 en een aanvullende overeenkomst van 19 september 2012, beide afgesloten tussen veroordeelde en benadeelde 2, aangetroffen.

Overeengekomen is dat benadeelde 2 een bedrag van €250.000 investeert in een onderneming van veroordeelde in verband met de aankoop van een hyperbare zuurstofcabine en later een tweede investering van €60.000 doet voor de aanschaf van een oxygen capsule, alsmede alle technische voorzieningen daarvoor. In de investeringsovereenkomst van 18 juli 2012 staat dat de €250.000 moet worden gestort op de rekening rekeningnummer 2 van veroordeelde, waarna hij dat bedrag zal doorboeken naar een aan hem gelieerde onderneming. Het bedrag zou worden aangewend voor de aankoop van de hyperbare zuurstofmachine en voor de oprichtingskosten van een door veroordeelde nieuw op te richten besloten vennootschap. Naast het 9 % procent rendement op jaarbasis, zou benadeelde 2 40 gratis behandelingen krijgen in de zuurstofcabine. Drie maanden na ingebruikname van de zuurstofcabine in Nederland zal veroordeelde de eerste termijn, inclusief rente terug gaan betalen aan benadeelde 2.

Geldstromen

Op 19 juli 2012 wordt onder vermelding van ‘waarborgsom veroordeelde’ €250.000, afkomstig van benadeelde 2, op de zakelijke rekening van bedrijf 2 rekeningnummer 1 bijgeschreven. Op 20 juli 2012 wordt €240.000 doorgeboekt naar de privérekening rekeningnummer 2 van veroordeelde en €10.000 naar de privérekening rekeningnummer 3 van veroordeeldes echtgenote betrokkene. Vanaf de privérekening van zijn echtgenote wordt diezelfde dag €9.000 overgemaakt naar de rekeningen van naam 4 en naam 5 onder de vermelding van ‘spaar(geld)’. Van de op veroordeeldes privérekening ontvangen €240.000 wordt:

  • €100.000 doorgeboekt naar een Thaise rekening op naam van naam 5;
  • €110.000 doorgeboekt naar een (andere) zakelijke rekening (rekeningnummer 4) van bedrijf 2. Dit bedrag wordt vervolgens besteed aan naam 6

(€34.000), naam 7 (2 x €4.760, i.v.m. verbouwing), salarissen naam 8
(€1.307,95), naam 9 (€1.330,06), naam 10 (€1.307,95) en naam 11 (€1.250). Verder is een keer €35.000 contant opgenomen en is 17 keer €1.000 opgenomen;

  • €5.000 aan naam 1 betaald onder vermelding van ‘Terugbetaling auto laatste deel’;
  • €15.607,25 aan naam 12 betaald voor de aanschaf van een brommobiel;
  • €3.500 doorgeboekt naar de privérekening van veroordeeldes echtgenote betrokkene ( rekeningnummer 3 ), waarvan vervolgens bedrijf 3 (€2.025) wordt betaald en €1.000 contant wordt opgenomen.

Op 17 september 2012 wordt onder vermelding van ‘aankoop zuurstofmachines’ tweemaal €30.000, afkomstig van benadeelde 2, op de privérekening rekeningnummer 2 van veroordeelde bijgeschreven. Daarvan wordt:

  • €30.000 doorgeboekt naar een zakelijke rekening (rekeningnummer 4) van bedrijf 2. Van dit bedrag wordt vervolgens €24.500 doorgeboekt naar naam 2 Ming Tang in China en wordt salaris (€1.551,20), huur (€3.573,74) en een aanschaf bij Mediamarkt (€1.085,93) betaald;
  • €3.000 wordt contant opgenomen;
  • €15.000 (3 maal €5.000) wordt overgemaakt naar de spaarrekeningen van P. Thongklang, naam 5 en naam 4;
  • €9.200 wordt betaald aan Superkeukens;
  • €3.100 wordt betaald aan Hotel Duiven onder vermelding van ‘Huur augustus 2012’.

Gebruik Thaise bankrekening

Over de Thaise bankrekening heeft naam 5, de schoonzus van veroordeelde, op wier naam de rekening was gesteld, verklaard dat deze bankrekening door veroordeelde werd beheerd en dat zij er geen beschikking over had. Veroordeelde heeft bevestigd dat de rekening op naam van zijn schoonzus staat, maar dat hij daar als enige gebruik van maakte en kon maken.

Bedrijf 4

In de brief van 9 januari 2013 van veroordeelde gericht aan benadeelde 2 staat dat, zoals in de investeringsovereenkomst is overeengekomen, ten behoeve van (de aankoop van) een hyperbare zuurstofcabine en -generator de besloten vennootschap bedrijf 4, is opgericht. In de brief van 8 april 2014 van veroordeelde gericht aan de heer en mevrouw benadeelde 2 staat, met verwijzing naar de stukken van de kamer van Koophandel in Thailand, dat veroordeelde de directeur is en dat enkel hij tekenbevoegd is. Verder schrijft hij dat de onderneming is opgericht met zijn (eigen) privékapitaal van €250.000 en dat de onderneming geen andere bezittingen heeft dan de zuurstofcabine.

Facturen zuurstofcabines en generator ad €7.127

In de inbeslaggenomen administratie van veroordeelde werd een tweetal facturen aangetroffen:

1.     Een factuur van 29 augustus 2012 voor een zuurstofcabine voor kinderen en een zuurstofcabine voor volwassenen voor een totaalbedrag van USD 3.800, omgerekend €2.802. Het afleveradres is bedrijf 2, adres 2 plaats. Op de factuur moet, aldus het proces-verbaal, de werkelijke waarde van de ingevoerde goederen staan vanwege de vaststelling van de te betalen invoerrechten;

2.     Een factuur van 26 december 2012 voor de aankoop van een zuurstofgenerator voor een bedrag van RMB 36.000, omgerekend €4.325. Uit de transportbescheiden blijkt dat de generator is gekocht door bedrijf 2, adres 2 plaats.

Op beide facturen staan de leveranciers vermeld, te weten bedrijf 5 en bedrijf 6.

 

Bedrijf 7 facturen zuurstofcabines en generator ad USD 667.600

Op gegevensdragers van veroordeelde werden twee facturen voor aankopen van dezelfde goederen aangetroffen:

1.     Een factuur van USD 453.800voor de aanschaf van een zuurstofcabines voor kinderen en een zuurstofcabine voor volwassenen, gedateerd 26 november 2012;

2.     Een factuur van USD 213.800 voor de aanschaf van een zuurstofgenerator, van 8 januari 2013.

Beide facturen zijn gericht aan bedrijf 4, ter attentie van Mr. MD veroordeelde, met als afleveradres bedrijf 1, adres 2 plaats.

De aanmaakdatum van beide facturen is 14 april 2014, dus ná de datum die op de andere facturen staat vermeld. Verder is te zien dat de facturen zelf in Word zijn gemaakt. Het logo bedrijf 7 is te verschuiven in het Word-document. De op de facturen vermelde leverancier bedrijf 7 bestaat echt, maar het betreft geen bedrijf dat zuurstofcabines en generatoren verkoopt. Ook komt het logo en het adres van dat (echte) bedrijf niet overeen met het logo en het adres dat op de facturen is gebruikt. Het logo op de facturen komt overeen met dat van een bedrijf uit India, dat evenmin zuurstofcabines en generatoren verkoopt.

Verklaring van eigendomsoverdracht

Tot slot is bij veroordeelde nog een verklaring van eigendomsoverdracht van 16 april 2014 aangetroffen, waarin bedrijf 4 twee zuurstofcabines met generator in eigendom overdraagt aan benadeelde 2. Verder staat in de verklaring dat veroordeelde zal trachten genoemd apparatuur voor benadeelde 2 te gaan verkopen en dat door ondertekening van deze verklaring de eerder afgesloten investeringsovereenkomst van 18 juli 2012 en het onlosmakelijk aanhangsel van 19 december 2012 zijn komen te vervallen. De verklaring is vervolgens enkel ondertekend door veroordeelde. Bij de overeenkomst zijn de bedrijf 7 facturen van de zuurstofcabines en generator ad USD 667.600 als bijlage toegevoegd.

Conclusie

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat voldoende aannemelijk is dat:

  • veroordeelde zich ten opzichte van benadeelde 2 heeft voorgedaan als arts, dan wel dat hij benadeelde 2 bewust daaromtrent in de waan heeft gelaten;
  • veroordeelde, samen met een ander, benadeelde 2 middels een samenweefsel van verdichtsels ertoe heeft bewogen €310.000 te investeren in (een project betreffende) een hyperbare zuurstofcabine;
  • benadeelde 2 €310.000 naar veroordeelde heeft overgemaakt;
  • het door benadeelde 2 geïnvesteerde geld door veroordeelde (voor het grootste gedeelte) niet is gebruikt voor de aankoop van (hyperbare) zuurstofcabines;
  • veroordeelde valse aanschaffacturen heeft opgemaakt om te proberen benadeelde 2 in de waan te laten dat zijn geld is geïnvesteerd zoals was overeengekomen, en dat veroordeelde benadeelde 2 zodoende heeft opgelicht.

De rechtbank schat in het geval van benadeelde 2 het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van €302.873. Dat is het bedrag aan investering van €310.000 minus de kosten van de (daadwerkelijke) aanschaf van de zuurstofcabines en generator van €7.127.

Totale voordeel / betalingsverplichting

Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel schat de rechtbank, conform de vordering van de officier van justitie, op €370.638 (€67.765 + €302.873). Gesteld noch gebleken is een aanleiding om de betalingsverplichting van veroordeelde te matigen. Daarvoor ziet de rechtbank dan ook geen reden.


Lees hier de volledige uitspraak. 
 

Print Friendly and PDF