Onrechtmatige staandehouding en aanhouding: onherstelbaar vormverzuim met bewijsuitsluiting tot gevolg leidt tot vrijspraak

Rechtbank Limburg 4 september 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:5109

De verdachte staat terecht ter zake dat hij op of omstreeks 17 augustus 2012 in de gemeente Venray opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I (artikel 2 Opiumwet).

De verdachte heeft bij de politie een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank ziet zich ambthalve voor de vraag gesteld of het optreden van verbalisanten jegens verdachte rechtmatig was.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 augustus 2012 betreffende de aanhouding van verdachte blijkt dat verbalisanten op 17 augustus 2012 naar aanleiding van ambtshalve bekende informatie van drugshandel in (de omgeving van) de wijk ’t Brukske te Venray, terwijl de kopers van deze drugs meestal in Duitsland woonachtig zijn, alsmede een MMA-melding d.d. 27 juli 2012 omtrent drugshandel op een parkeerplaats bij het winkelcentrum in die wijk, kennelijk post hadden gevat in betreffende buurt. Op een gegeven moment zagen zij een personenauto met een Duits kenteken de wijk ’t Brukske inrijden, parkeren op betreffende parkeerplaats en de bestuurder – naar later bleek verdachte – weglopen om deze een klein half uur later weer te zien. Verdachte werd vervolgens een stopteken gegeven en hem werd naar zijn paspoort of identiteitsbewijs gevraagd. Desgevraagd ontkende verdachte verdovende middelen bij zich te hebben. Ook na zoekend rondkijken in zijn auto en oppervlakkige aftasting van verdachtes kleding troffen verbalisanten op het eerste oog geen verdovende middelen aan. Aangezien men toch ernstig het vermoeden had dat verdachte verdovende middelen bij zich droeg en hij erg zenuwachtig was, besloot men verdachte aan te houden op verdenking van bezit van verdovende middelen genoemd op lijst I dan wel lijst II van de Opiumwet. Nadien werd verdachte op het politiebureau aan zijn kleding onderzocht, waarbij cocaïne werd aangetroffen en waarna verdachte een bekennende verklaring aflegde.

Voor de beantwoording van de vraag of het optreden van de verbalisanten rechtmatig was, acht de rechtbank in het bijzonder de artikelen 27 en 52 tot en met 54 Sv van belang. Artikel 27, eerste lid Sv houdt in dat, voordat de vervolging is aangevangen, als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. Artikelen 52 tot en met 54 Sv geeft opsporingsambtenaren onder omstandigheden de bevoegdheid de verdachte staande en eventueel aan te houden.

Uit het hierboven genoemde proces-verbaal volgt dat verbalisanten verdachte hebben staande gehouden naar aanleiding van de informatie die hen ambtshalve bekend was over drugshandel in de betreffende wijk en kennelijk de aanwezigheid van verdachte in die wijk. De rechtbank is van oordeel dat het enkele gegeven dat verdachte reed in een auto met Duits kenteken en zijn auto heeft geparkeerd op een parkeerplaats bij een winkelcentrum, waarvan de politie ambtshalve bekend is dat daar in drugs wordt gehandeld, vervolgens een klein half uur uit zicht van de verbalisanten is en dan weer weg rijdt, onvoldoende is om een redelijk vermoeden van schuld aan te kunnen nemen. Dit brengt met zich mee dat reeds de staande houding onrechtmatig is. Voorts waren verbalisanten niet bevoegd de kleding van verdachte oppervlakkig af te tasten. Na de staande houding ontkende verdachte desgevraagd drugs in zijn bezit te hebben en werden ook geen drugs aangetroffen in de auto of kleding van verdachte. De gestelde verdenking is derhalve niet nader geconcretiseerd, maar verdachte werd desalniettemin aangehouden.

Gelet hierop concludeert de rechtbank dat zich noch op het moment van de staandehouding, noch op het moment van aanhouding de situatie voordeed dat ten aanzien van de verdachte uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide, laat staan dat er sprake was van ernstige bezwaren die een onderzoek aan lichaam en kleding rechtvaardigden.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat het optreden van de verbalisanten jegens de verdachte van de aanvang af onrechtmatig is geweest. Omdat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim inhoudende schending van belangrijke (strafvorderlijk) voorschriften en er tevens sprake is van een direct causaal verband tussen de geschonden voorschriften en het na die schending verkregen bewijsmateriaal – bestaande uit de (in de onderbroek van verdachte) aangetroffen cocaïne en de bekennende verklaring van verdachte – dient dat bewijsmateriaal uitgesloten te worden van het bewijs. Nu overigens geen bewijs voorhanden is, waaruit volgt dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zal hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbant spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF