Omzet- en loonbelastingfraude, feitelijk leidinggeven, overschreiding redelijke termijn, art. 9a Sr

Rechtbank Roermond 27 juni 2012, LJN BW9611

Verdachte is tezamen met twee andere (mede-verdachten) een v.o.f. aangegaan. Verdachte heeft een doorslaggevende stem en was verantwoordelijk voor o.a. de in- en verkoop van de inventaris, het bijhouden van de administratie en de uitbetaling van de lonen.
Aan verdachte werd ten laste gelegd feitelijk leiding te geven aan het doen van onjuiste loonbelastingaangiften. Verdachte heeft verklaard dat de lonen bewust niet werden aangegeven als loon in de administratie maar als “uitbesteed werk“. Er werd dan ook geen loonbelasting en werknemers- en werkgeverspremies over afgedragen.  Ten aanzien van dit feit is de rechtbank dan ook tot een veroordeling over gegaan.

Ook werd aan verdachte ten laste gelegd het feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste omzetbelastingaangiften en het vervalsen van facturen (art. 251 Sr). Bij de v.o.f.  werden ordners aangetroffen met als inhoud aan afnemers gerichte vrachtbrieven, genoemd vrachtbrieven hoog. Bij de accountant werden facturen en vrachtbrieven aangetroffen, genoemd vrachtbrieven laag.  Na onderzoek bleek dat de vrachtbrieven hoog qua datum, rekeningnummer, klantnummer en overige klantgegevens, overeenkwamen met de bij de accountant aangetroffen facturen en vrachtbrieven laag. Op de vrachtbrieven hoog waren echter meer goederen vermeld en ook het daarop vermelde totaalbedrag washoger dan op de facturen en vrachtbrieven laag. Deze lagere factuur en vrachtbrief laag, die de werkelijke levering niet weergaven, werden door de v.o.f. in haar financiële administratie opgenomen en verwerkt. Een deel van het verschil tussen de facturen en vrachtbrieven laag en de vrachtbrieven hoog werd aan de hand van de goederenlijsten door de v.o.f. verantwoord op de rekening met de vermelding “particulier” en klantnummer 18. Een percentage van ongeveer 9% van dit totale verschil werd door de v.o.f. niet verantwoord.  De belastingdienst is er evenwel niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit verschil bestaat uit met omzetbelasting belaste ontvangsten. Volgens de getuige kan het wel bevonden verschil bestaan uit niet belaste omzet, aflossingen van leningen, ontvangen huren, dan wel levering van goederen.  

Op 24 januari 2007 heeft de eerste vervolgingsdaad plaatsgevonden. Pas op 1 september is de zaak voor het eerst ter zitting aangebracht. De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn is geschonden. En dat het voordeel dat verdachte met de bewezen verklaarde heeft behaald gering is (het berekende fiscale nadeel is € 73.455,79), waardoor de belastingdienst ook zelf de zaak af had kunnen doen. De rechtbank oordeelt dan ook dat een bewezenverklaring alleen voldoende is en legt verder geen straf op aan verdachte.
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF