OM verliest het recht tot strafvervolging niet door de enkele omstandigheid dat i.v.m. hetzelfde feit reeds een bestuursrechtelijke dwangsom is ingevorderd

Rechtbank Noord-Holland 3 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9269

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsvrouw heeft daartoe gesteld dat de vervolging strijdig is met de beginselen van een behoorlijke procesorde nu sprake is van een inbreuk op het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor hetzelfde feit. Immers, vanwege dezelfde feiten als waarvoor verdachte thans wordt vervolgd heeft hij reeds een door de burgemeester van Hoorn opgelegde dwangsom van
€ 1.500 verbeurd, hetgeen volgens de raadsvrouw de facto een geldboete oplevert. De raadsvrouw heeft in haar betoog dat hierdoor sprake is van een dubbele bestraffing verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 2 februari 2017 (ECLI:NL:GHSE:2017:349) en het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot het alcoholslotprogramma (ECLI:NL:HR:2015:434).

De officier van justitie heeft zich verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Zij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat de casus van het alcoholslotprogramma een heel uitzonderlijke casus betreft die verschilt van het voorliggende geval en dat schending van het ne bis in idem beginsel slechts dan aan de orde is als sprake is van eenzelfde strafbedreiging en bescherming van dezelfde rechtsgoederen, hetgeen in casu niet het geval is. Artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht ziet immers naast bescherming van de openbare orde ook op de bescherming van het recht van eigendom en op bescherming van het recht op lichamelijke integriteit. Reeds om die reden is volgens de officier van justitie geen sprake van een dubbele bestraffing.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad op 20 maart 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ7078) heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie het recht tot strafvervolging niet verliest door de enkele omstandigheid dat in verband met hetzelfde feit door de overheid reeds een bestuursrechtelijke dwangsom is ingevorderd. De rechtbank wijst erop dat de last onder dwangsom een zogenoemde herstelsanctie betreft en dat het opleggen van de last of het verbeuren van de dwangsom niet als ‘criminal charge’ of punitieve sanctie wordt aangemerkt. Daarom is in casu geen sprake van een dubbele ‘bestraffing’ die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging. Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de Hoge Raad voornoemde lijn uit 2007 heeft verlaten met zijn arrest uit 2015 betreffende het alcoholslotprogramma, overweegt de rechtbank dat de reikwijdte van laatstgenoemd arrest is beperkt tot de door de Hoge Raad expliciet als ‘uitzonderlijk’ aangemerkte situatie waarin de verdachte wegens de verdenking van rijden onder invloed de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma was opgelegd. Het oordeel van de Hoge Raad dat hierdoor sprake was van een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, kan niet zonder meer breder worden getrokken naar de voorliggende problematiek ten aanzien van de samenloop van een bestuursrechtelijke last onder dwangsom en een strafrechtelijke vervolging. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De rechtbank hecht er evenwel aan op te merken dat de door de burgemeester van Hoorn gehanteerde handelwijze richting verdachte onwenselijk voorkomt, nu de last onder dwangsom - hetgeen zoals gezegd een ‘herstelsanctie’ betreft - niet is bedoeld voor het proberen te beteugelen van strafwaardig gedrag van burgers in de openbare ruimte, welke taak immers bij uitstek is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie en de strafrechter. De rechtbank acht het aanbevelenswaardig dat de officier van justitie in overleg treedt met de Gemeente Hoorn teneinde vorenstaande onder de aandacht te brengen en vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF