OM niet-ontvankelijk wegens schending huisrecht & artikel 6 EVRM door de wijze van samenwerking door de wijze van samenwerking tussen politie en belastingambtenaren

Rechtbank Limburg 18 februari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2175

Aan verdachte is het volgende tenlastegelegd:

Onder parketnummer 03/830013-12

  • Feit 1: medeplegen van het telen/bereiden/bewerken/verweken en opzettelijk aanwezig hebben gehad van meer dan 30 gram hennep.
  • Feit 2: medeplegen van diefstal van elektriciteit.
  • Feit 3: medeplegen van het beschadigen van een elektriciteitswerk en stoornis in de gang of in de werking van dat elektriciteitswerk veroorzaken door het deksel van de aansluitkast open te maken en/of een aftakking voor de meter na de hoofdbeveiliging te maken en/of de hoofdzekering te manipuleren en/of verzwaren en/of onder spanning staande delen van die elektriciteitsinstallatie onvoldoende af te schermen.

Onder parketnummer 03/866139-13

  • Bijstandsfraude door het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,  terwijl dit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf.

Ontvankelijkheid OM

Strijd met het gelijkheidsbeginsel

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat in de woning van de eigenaar van de woning van een andere verdachte, te weten degene waar de informatie die binnenkwam bij de politie op zag, hennep en een in werking zijnde hennepkwekerij zijn aangetroffen. De strafzaak jegens deze persoon is echter geseponeerd. Het is met die wetenschap onbegrijpelijk dat onderhavige strafzaak van verdachte wel tot vervolging heeft geleid. Gelijke zaken moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid gelijk worden afgedaan (Rechtbank Midden-Nederland d.d. 4 juni 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1934).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de voorhanden zijnde informatie, niet kan worden gesteld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het verweer van de raadsman is onvoldoende onderbouwd op het punt dat er sprake is van gelijke gevallen, nu niets bekend is over de bewijspositie in de zaak waarnaar de raadsman verwijst.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman, aangezien de stelling dat er sprake is van gelijke gevallen onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Er kan enkel worden geconstateerd dat het startpunt van de beide onderzoeken gelijk is geweest, maar nadere informatie omtrent het verdere verloop van het onderzoek in de andere zaak ontbreekt.

Onrechtmatige bewijsgaring en schending van fundamentele rechten

De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er sprake is van onrechtmatige bewijsgaring, hetgeen, nu er een onherstelbare en ernstige inbreuk is gemaakt op de rechten van verdachte, dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Daartoe heeft de raadsman de volgende punten aangevoerd.

Bij het binnentreden van de woning van verdachte is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van de Algemene wet op binnentreden (Awbi), waardoor het huisrecht van verdachte is geschonden. Daarmee is het binnentreden onrechtmatig.

In september 2011 kwam bij de CIE informatie binnen dat een zekere betrokkene een hennepplantage zou hebben in het perceel aan het adres van betrokkene te Heerlen. Diezelfde maand kwam er een anonieme brief binnen, waarin melding werd gemaakt van genoemde plantage en tevens van de plantage op het adres van verdachte. Door raadpleging van de gegevens die beschikbaar zijn bij de Belastingdienst werd een relatie gelegd tussen de beide adressen. Beide woningen bleken eigendom te zijn van genoemde betrokkene. Deze informatie is echter in strijd met de in artikel 67 van de Algemene wet rijksbelastingen (AWR) genoemde geheimhoudingsplicht aan de politie verstrekt. De relatie tussen beide panden is daarmee op onrechtmatige wijze gelegd en dient buiten beschouwing te blijven. Dat betekent dat de woning van verdachte tegen haar wil is betreden louter en alleen op basis van een enkele anonieme melding, terwijl volgens vaste jurisprudentie dergelijke anonieme informatie dient te worden opgeplust om te komen tot een mate van verdenking die het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner legitimeert (Rechtbank Assen 13 november 2013, ECLI:NL:RBASS:2012:BY3515).

Tevens is het huisrecht geschonden, omdat medewerkers van de Belastingdienst de politie vergezelden tijdens het binnentreden, terwijl dat redelijkerwijs niet was vereist. De politie heeft de Belastingdienst gebruikt als drukmiddel. Verdachte werd immers in haar woning geconfronteerd met belastingambtenaren, die in het bijzijn van de politie, haar met toepassing van het bepaalde in artikel 47 AWR dwongen tot het verstrekken van informatie. Op deze wijze is het zwijgrecht omzeild en is verdachte gedwongen belastende informatie te verstrekken. Hierdoor is tevens gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM, aldus de raadsman.

Voorts is ook het verstrekken van de informatie door de medewerkers van de Belastingdienst aan de politie onrechtmatig. De Belastingdienst is met het vooropgezette plan om informatie te vergaren door de politie meegenomen tijdens het binnentreden tegen de wil van verdachte. De samenwerking tussen de politie en de Belastingdienst op deze wijze is structureel vorm gegeven en wordt gezien als praktische uitvoering van een convenant. Vanwege de sturing die de politie hierbij had, is de informatie ook om deze reden onrechtmatig verstrekt door de Belastingdienst. Deze onrechtmatig verstrekte informatie had door de politie ook niet mogen worden verwerkt, gelet op het structurele karakter van de wijze van samenwerking tussen de politie en Belastingdienst.

Standpunt OvJ

Voor de rechtmatigheid van het gebruik van via de Belastingdienst verkregen informatie heeft de officier van justitie verwezen naar de conclusies van het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (WBOM) d.d. 27 november 2013. Op grond van deze rapportage heeft de officier van justitie de volgende standpunten ingenomen.

Het verstrekken van de informatie met betrekking tot de eigenaar van de in de anonieme melding genoemde panden door de Belastingdienst is op basis van artikel 67 tweede lid, letter b, van de AWR juncto artikel 43c lid 1 van de uitvoeringsregeling AWR toegestaan. Op het moment van verstrekken was er nog geen sprake van een verdenking jegens verdachte en voorts was er geen sprake van informatie die rechtstreeks betrekking had op verdachte zelf. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake was van een opsporingsonderzoek jegens verdachte en er dus een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gedaan had moeten worden, hoeft aan deze omissie in onderhavige zaak geen gevolg te worden verbonden, gelet op de jurisprudentie op dit terrein en gelet op de geringe aard en omvang van deze informatie.

Het binnentreden van de politie was rechtmatig. Op basis van de anonieme melding, het aantreffen van een kwekerij op het adres van betrokkene te Heerlen en de informatie dat de eigenaar van deze woning tevens eigenaar is van het pand waar verdachte woont, was voldoende om de woning binnen te treden op grond van een verdenking van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Het huisrecht van verdachte is dan ook niet geschonden.

De officier van justitie onderschrijft de conclusies van het WBOM dat artikel 8, tweede lid, van de AWBi is geschonden, nu uit het proces-verbaal onvoldoende blijkt dat het binnentreden van de medewerkers van de Belastingdienst redelijkerwijs noodzakelijk was. De belastingambtenaren hebben het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door onrechtmatig binnen te treden en verdachte te confronteren met het verzoek haar bankrekening te tonen. De ter plekke verkregen informatie omtrent de bankrekeningen is dan ook onzorgvuldig verkregen.

Nu alleen sprake was van een verdenking op basis van de Opiumwet was, hebben de belastingambtenaren niet onder gezag van een officier van justitie gehandeld en dienen zij dogmatisch als een derde te worden beschouwd. Van uitsluiting van bewijs verkregen door een derde ex artikel 359a van het Sv, kan alleen sprake zijn als de politie of het openbaar ministerie bemoeienis heeft gehad met de verkrijging en er sprake is van een substantiële schending van beginselen of veronachtzaming van rechten. Hoewel gesteld kan worden dat de politie het verkrijgen van de informatie door de belastingambtenaren heeft gefaciliteerd, is er geen sprake van een substantiële schending van beginselen of veronachtzaming van de rechten van verdachte. De integriteit van de rechtspleging is door het verkeerd handelen van de belastingambtenaren niet op het spel komen te staan. Zij vroegen immers naar informatie waarop zij recht hadden. De omstandigheden waaronder het onderzoek is verricht, rechtvaardigen niet de conclusie dat de verkregen informatie omtrent de bankrekeningen als onrechtmatig verkregen moet worden beoordeeld. Bovendien had de informatie ook langs een andere weg verkregen kunnen worden door een simpele 126ns vordering in te dienen bij de bank.

Voor zover de rechtbank wel van oordeel is dat de informatie op onrechtmatige wijze is verkregen, is de officier van justitie van mening dat dit vormverzuim niet dient te leiden tot bewijsuitsluiting en verzoekt hij dit te sanctioneren middels strafvermindering.

Beoordeling verweer

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat er sprake was van onrechtmatig binnentreden wegens het bestaan van onvoldoende verdenking. Daartoe overweegt de rechtbank dat de woning waarin verdachte verbleef is binnengetreden op basis van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet. Op basis van deze bepaling hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen waar een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd of waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat daar zodanige overtreding wordt gepleegd. Dit is een ruimere bevoegdheid dan die het Wetboek van Strafvordering schept.

In de onderhavige zaak kwam op 26 september 2011 een anonieme brief binnen waarin melding werd gemaakt van twee hennepplantages op de adressen van betrokkene te Heerlen en het adres van verdachte te Brunssum. Op het adres aan het adres van betrokkene te Heerlen is op 27 september 2011 een onderzoek ingesteld en proces-verbaal opgemaakt in verband met het aantreffen een hennepkwekerij. De rechtbank is van oordeel dat laatstgenoemde omstandigheid – los van de informatie van de Belastingdienst over dezelfde eigenaar van beide panden – de anonieme melding in voldoende mate ondersteunt om te komen tot een redelijk vermoeden van aanwezigheid van een hennepkwekerij op het adres van verdachte. Het binnentreden in de woning van verdachte was dan ook rechtmatig.

De rechtbank is voorts met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat bij het binnentreden van de woning van verdachte de politie zich niet had mogen laten vergezellen door ambtenaren van de Belastingdienst en er derhalve is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 8 lid 2 van de Awbi. Het doel van het binnentreden was immers volgens de machtiging gelegen in de inbeslagneming van middelen als genoemd in lijst II van de Opiumwet en tevens van de daarvoor vatbare voorwerpen. Hoewel de politie zich in het kader van de opsporing van fiscale delicten kan laten bijstaan door belastingambtenaren, was het in de onderhavige zaak niet redelijkerwijs vereist in de zin van artikel 8, tweede lid van de Awbi dat de politie zich bij het binnentreden van een woning waar de aanwezigheid van een hennepkwekerij werd vermoed, liet vergezellen door ambtenaren van de Belastingdienst. Nu dezen geen zelfstandige bevoegdheid hadden om de woning van verdachte binnen te treden, zijn zij naar oordeel van de rechtbank onrechtmatig binnengetreden en hebben zij het huisrecht van verdachte geschonden.

Voorts is verdachte in haar woning geconfronteerd met belastingambtenaren die haar onaangekondigd en in het bijzijn van de politieambtenaren op basis van artikel 47 van de AWR verzochten om direct, ter plekke haar bankrekening te tonen en ter zake te verklaren. De rechtbank acht deze wijze van verkrijging van informatie onrechtmatig. De informatie waarom de belastingambtenaren verzochten, zou immers ook nog in een later stadium beschikbaar zijn geweest, waardoor het niet noodzakelijk was die in het bijzijn van de politie te vorderen.

De rechtbank is van oordeel dat door het gelijktijdig optreden van de politie en de belastingambtenaren in een strafrechtelijke – niet zijnde fiscale – context, waarbij de belastingambtenaren onrechtmatig zijn binnengetreden en ter plekke zonder aankondiging ambtshandelingen hebben verricht, welke niet omgeven zijn met de waarborgen van een strafrechtelijk onderzoek, het recht van verdachte op een eerlijk proces (artikel 6 van het EVRM) is geschonden.

Door deze wijze van samenwerking tussen de politie en de belastingambtenaren zijn twee essentiële rechten van verdachte geschonden, te weten: schending van het huisrecht en schending van artikel 6 EVRM, hetgeen door de politie is gefaciliteerd door zich te laten vergezellen door de belastingambtenaren. De rechtbank is van oordeel dat daarmee zodanig onzorgvuldig met verdachtes belangen is omgesprongen, dat genoemde schending dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank ziet zowel op de zaak met parketnummer 03/830013-12, betreffende de hennepkwekerij, als de zaak met parketnummer 03/866139-13, betreffende de bijstandsfraude, aangezien het dossier van laatstgenoemde zaak uitsluitend het rechtstreekse product is van het onderzoek naar de hennepkwekerij, want er is geen verder onderzoek verricht naar de (aard van) de inkomsten van verdachte.

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF