OM niet-ontvankelijk: het feit kon worden vervolgd op grond van art. 68 lid 1 onder d AWR, daarmee is vervolging op grond van art. 225 Sr uitgesloten

Rechtbank Breda 20 februari 2013, LJN BZ1739 Verdenking

De verdenking bestaat dat door B.V. in haar bedrijfsadministratie (valse) facturen werden opgenomen, waarop was vermeld dat werd gefactureerd ten behoeve van een Poolse zelfstandige (ZZP’er).

Standpunt verdediging 

De raadsman, mr. Castelijn, heeft ter zitting verzocht de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat op grond van art. 69, vierde lid Algemene wet inzake rijksbelastingen strafvervolging op grond van art. 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, is uitgesloten indien het feit ook valt onder het bereik van art. 69, eerste of tweede lid AWR. Hetgeen aan verdachte thans ten laste is gelegd ziet op het opnemen van vermeende valse facturen in de bedrijfsadministratie. De raadsman heeft, onder verwijzing naar een arrest van het Hof Den Bosch van 12 september 2006, (LJN AY8252) en een vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2009 (LJN BH9174) gesteld dat het opnemen van valse facturen in de administratie ook valt onder de bepaling van art. 68, eerste lid onder d AWR en strafbaar is gesteld in art. 69, eerste lid AWR.

De officier van justitie heeft, door een tenlastelegging te verkiezen ex art. 225, eerste lid Sr, de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69, vierde lid AWR omzeild en heeft daarmee volgens de raadsman gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en strafvervolging.

Oordeel van de rechtbank 

Voorop staat dat in art 69, vierde lid, AWR een vervolgingsuitsluitingsgrond is opgenomen ten aanzien van art. 225 lid 2 Sr. In onderhavige zaak heeft het OM de tenlastelegging toegesneden op art. 225 lid 1 Sr. In beginsel staat genoemde vervolgingsuitsluitingsgrond aan een vervolging terzake art. 225 lid 1 Sr niet in de weg.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding te onderzoeken of in het onderhavige geval de vervolging van verdachte op grond van art. 225 lid 1 Sr, op gespannen voet staat met art. 69 AWR.

Uit de geldende jurisprudentie (en literatuur) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of art 69, vierde lid, AWR aan een vervolging terzake van art. 225 lid 2, Sr. in de weg staat, niet uitsluitend kan worden gelet op de tekst van de tenlastelegging. Anders immers zou de officier van justitie door de wijze waarop hij de tenlastelegging inkleedt, art. 69 lid 4 AWR kunnen omzeilen. Beslissend is daarom of het feit zoals dat in werkelijkheid is gepleegd, onder de bepalingen van art. 69 AWR kan worden gebracht .

Ten laste is gelegd dat verdachte de bedrijfsadministratie heeft vervalst door daarin valse facturen op te nemen. Op deze facturen was vermeld dat werd gefactureerd ten behoeve van een Poolse zelfstandige (ZZP’er), terwijl volgens het openbaar ministerie feitelijk telkens sprake was van (fictieve) dienstbetrekkingen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt voorts dat het openbaar ministerie de mening is toegedaan dat het vervalsen van de bedrijfsadministratie er uiteindelijk toe heeft geleid dat verdachte de Nederlandse Staat heeft benadeeld, doordat ten onrechte geen loonheffingen en sociale lasten zijn afgedragen.

De rechtbank is van oordeel dat wanneer degene die een bedrijfsadministratie voert deze vals maakt door het toevoegen van valse facturen, zulks er automatisch toe leidt dat betrokkene een valse bedrijfsadministratie voorhanden heeft. De rechtbank hecht voorts belang aan het speciale karakter van een bedrijfsadministratie in het kader van de belastingheffing Een dergelijke administratie dient er ingevolge art. 52 van de AWR immers toe te allen tijde duidelijkheid te verschaffen over de rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens. Uit het vorenstaande volgt dat de kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, zoals dit uit het dossier naar voren komt, is gelegen in het feit dat deze duidelijkheid niet is verschaft, hetgeen tot benadeling heeft geleid.

Uit voormeld arrest van het Hof Den Bosch volgt dat het voorhanden hebben van valse geschriften in de zin van art. 225 tweede lid, Sr de facto overeenkomt met het voeren van een administratie als bedoeld in art. 68 lid 1 onder d AWR. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in onderhavige zaak sprake is. Omdat daarmee het voeren van de administratie niet op een correcte wijze is geschied, kan dit feit worden vervolgd op grond van art. 68 lid 1 onder d AWR en strafbaar gesteld in art. 69, lid 1 AWR. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank op grond van art. 69 lid 4 AWR, vervolging op grond van art. 225 Sr uitgesloten.

Bovenstaande laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarbij valse facturen worden opgenomen in de bedrijfsadministratie, maar waarbij geen sprake is van het voeren van een administratie als bedoeld in art. 68 lid 1 onder d AWR. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie waarin een accountant ter completering van de bedrijfs-administratie van een bedrijf daarin valse facturen opneemt. In dergelijke situaties is een tenlastelegging, toegesneden op art. 225 lid 1 Sr, wel mogelijk.

Gelet op bovenvermelde omstandigheden dient de officier van justitie in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF