Nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting: het Hof heeft, nadat de zaak eerder al inhoudelijk was behandeld, het onderzoek hervat zonder instemming van de AG en de aanwezige verdachte

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6513

Feiten

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 12 april 2011 verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 wegens 1) mishandeling en 2) medeplegen van mishandeling.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het in art. 322, derde lid, Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd.  

Beoordeling Hoge Raad

De behandeling in hoger beroep is aangevangen ter terechtzitting van 18 februari 2011. Op deze terechtzitting was het Hof samengesteld uit mrs. Van Strien, Stoker-Klein en Bonn. De zaak is aldaar inhoudelijk behandeld. Vervolgens is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 29 maart 2011. Op deze terechtzitting was het Hof samengesteld uit mrs. Van Strien, Langeler en Bonn.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2011 houdt in dat het onderzoek is hervat in de stand waarin zich dat bevond ten tijde van de schorsing daarvan op 18 februari 2011 doch houdt niet in dat de Advocaat-Generaal bij het Hof en de aldaar aanwezige verdachte daarmee hebben ingestemd. Het moet er daarom in cassatie voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het Hof het onderzoek ter terechtzitting opnieuw moeten aanvangen. Blijkens het voormelde proces-verbaal heeft het Hof dat evenwel niet gedaan.

Gelet op art. 322, derde lid, Sv - dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is - leidt dit verzuim tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2011 en de mede naar aanleiding daarvan gewezen einduitspraak.

Het middel is terecht voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF