Vandaag: Themadag van het Kenniscentrum Cybercrime

Vandaag vindt in Amsterdam de themadag van het Kenniscentrum Cybercrime plaats.

Het Kenniscentrum Cybercrime verzamelt en beheert kennis en informatie over cybercrime voor alle rechtbanken en gerechtshoven in Nederland en is onderdeel van het Gerechtshof Den Haag.

Het kenniscentrum verschaft juridische en praktische kennis over cybercrime en basisinformatie over computertechnologie aan rechters, raadsheren en gerechtsambtenaren in Nederland. Hiervoor is onder meer een interne site met juridische informatie, zoals jurisprudentie op het gebied van cybercrime in binnen- en buitenland, beschikbaar. Ook bestaat er een helpdesk waar medewerkers werkzaam binnen de Rechtspraak met vragen terecht kunnen. De deskundigen van het kenniscentrum beantwoorden uitsluitend vragen van medewerkers in zijn algemeenheid, om te waarborgen dat de beslissing in individuele zaken voorbehouden blijft aan de behandelend rechter.

Het Kenniscentrum Cybercrime heeft drie vaste functionarissen. Daarnaast is er een begeleidingsgroep van juristen met kennis van cybercrimezaken en informatici. Het kenniscentrum bindt zich vanzelfsprekend niet aan commerciële marktpartijen en maakt geen gebruik van bijvoorbeeld gespecialiseerde politie- of OM-onderdelen, om zo de onafhankelijkheid van de rechtspraak te borgen.

'Digitaal de straat op' met Kenniscentrum Cybercrime

Opsporing en vervolging zijn aan allerlei restricties gebonden en geografisch georganiseerd. Maar cyberspace kent geen grenzen en dwingt opsporingsinstanties hun eigen weg te zoeken. Het Kenniscentrum Cybercrime nam rechters en raadsheren 30 maart mee 'digitaal de straat op', tijdens een themadag in Utrecht over opsporing op internet.

Het Kenniscentrum is in 2009 opgericht om de rechterlijke macht met een website, nieuwsbrief, cursus, themadagen en jurisprudentiebijeenkomsten op de hoogte te houden van de laatste ontwikkelingen rond cybercrime. Het gebruik van internet neemt een hoge vlucht in Nederland, dus criminaliteit via de computer ook.

"Wij waren altijd het land van de fietsendiefstal, dat maakte ons een beetje ludiek", zegt hoogleraar politiestudies Wouter Stol op deze derde themadag in de Jaarbeurs tegen de rechters. "Nu zijn we het land van fietsendiefstal en hacken. Nieuw onderzoek naar slachtofferschap wijst uit dat 5,4 % van de mensen te maken heeft gehad met fietsendiefstal en 4,8 % met hacken."

Alledaags

Cybercrime roept associaties op met hightech en georganiseerde misdaad, maar is meestal heel alledaags, zegt Stol. Georganiseerde criminaliteit als skimmen, voorschotfraude en het verspreiden van kinderporno krijgt veel aandacht, maar de meeste daders zijn volgens de hoogleraar gewone mensen, die elkaar bedreigen, oplichten of illegaal handel drijven. Het verschil met vroeger is dat stalkers nu gebruik maken van e-mail en Facebook, oplichters van verkoopsites en kinderlokkers van chatprogramma's.

Dreigtweets

Of de criminaliteit toeneemt door internet, is niet bekend. Wel worden bepaalde zaken zichtbaarder, zegt Stol. "Ruzies op het schoolplein lijken vaak heftiger dan ze zijn. Scheldpartijen en dreigementen zijn meestal snel vergeten. Maar sinds de komst van Twitter staan bedreigingen zwart op wit. Ouders zien dat en voordat je het weet, wordt aangifte gedaan."

Er is ook verschuiving te zien. "Banken beroven doen we niet meer, lijkt het, maar digitaal gebeurt het wel degelijk. De daders stappen alleen niet meer bij de bank naar binnen, maar bij de klant, die internetbankiert en per ongeluk gegevens vrijgeeft. Daar zit nu de zwakke plek."

Pioniers

De strafrechtketen moet zich aanpassen aan de grenzeloosheid van internet, zegt Stol. "De keten is keurig in gebieden onderverdeeld, maar daar loopt een hele nieuwe wereld dwars doorheen. Elke diender kan nu te maken krijgen met internationale criminaliteit."

De politie kampt met een tekort aan kennis, capaciteit en duidelijkheid over de bevoegdheden en is voor de aanpak van cybercrime afhankelijk van pioniers, die gewoon maar ergens beginnen. Peter de Beijer deed dat zeven jaar geleden bij het korps Gelderland-Zuid. Vanuit zijn betrokkenheid bij een pilot over computercriminaliteit kreeg hij steeds meer vragen van collega's die 'iets moesten' met internet, omdat ze merkten dat de onderwereld daar zaken deed in plaats van in het café. Zo is het Internet Recherche Netwerk (iRN) ontstaan, dat inmiddels vijfduizend gebruikers op driehonderd locaties telt.

Afgeschermd

Het iRN heeft zich ontwikkeld tot een eigen provider voor de politie en andere overheidsdiensten, die onderzoek willen doen op internet zonder hun visitekaartje achter te laten. Het netwerk schermt de identiteit af en zorgt ervoor dat onderzoekers snel aan relevante informatie komen door dwarsverbanden te leggen en gegevens te bundelen. Daarnaast brengt het onderzoekers met elkaar in contact. Hun activiteiten worden opgeslagen, zodat duidelijk is welke bronnen ze hebben gebruikt. Opsporingsinformatie moet immers toetsbaar zijn.

Eenvoudig

Nadat De Beijer de werking van het netwerk heeft toegelicht, laten Christiaan Prickaerts van IT-beveiligingsbedrijf Fox-IT en Henny Koper, inspecteur bij Politie Haaglanden, zien hoe eenvoudig het is om spontaan surfend veel aan de weet te komen over mensen. Prickaerts brengt binnen twintig minuten een heel leven in kaart, gebuik makend van vrij toegankelijke informatie. Koper vertelt hoe hij al googelend een jongen heeft opgespoord die in een YouTube-filmpje gevaarlijk vuurwerk afstak. Twitter blijkt een belangrijke bron, en door volgers te volgen wordt het in kaart brengen van jeugdgroepen 'appeltje-eitje', zegt Koper. Hij twittert zelf ook veel, om reacties uit te lokken en betrokkenheid van burgers te stimuleren.

Onbelemmerd surfen

"Ik ben geen opsporingsambtenaar, dus wie houdt me tegen?", zegt Prickaerts opgewekt tijdens de demonstratie van zijn zoektocht door andermans leven. Een heikel punt, want terwijl hij onbelemmerd over het web surft, her en der valse namen opgevend om accounts aan te maken, moeten politiemensen geweldig uitkijken. Voordat je het weet maken zij zich schuldig aan stelselmatige observatie of andere opsporingsmethodes die in het normale leven aan banden zijn gelegd.

Cybercrime-officier Lodewijk van Zwieten zei het onlangs openlijk in de krant: de Nederlandse recherche kraakt soms buitenlandse computers en schendt daarmee de soevereiniteit van andere landen. Dat mag niet, maar het kan niet anders volgens Van Zwieten.

Wilde westen

Nederlandse rechters moeten goed nadenken over normen in de digitale wereld, vindt jurist Jan-Jaap Oerlemans, die op dit onderwerp promoveert. "De wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden is ook op internet toepasbaar, maar veel is onduidelijk. Mag je bijvoorbeeld surveilleren met een valse account? Welke regels gelden nou eigenlijk op internet?"

Op dit moment opereert elk land volgens zijn eigen normen, waarbij men zich weinig aantrekt van andere staten. In België is kijken in buitenlandse computers onder bepaalde voorwaarden toegestaan. De Amerikaanse politie gaat nog veel verder. "We leven in het digitale Wilde Westen", concludeert Oerlemans.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF