Niet-ontvankelijkheid OM: OvJ gaat, buiten RC om, aan de haal met cruciale getuige

Rechtbank Limburg 2 april 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:3022

Essentie

Twee dagen lang horen van getuige door politie vóór het verhoor door de rechter-commissaris is geen parallelle opsporing en in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

Waarheidsvinding is ernstig bemoeilijkt en het wettelijk systeem is in de kern aangetast. OM wordt niet ontvankelijk verklaard.

Achtergrond

Voordat het onderzoek ter terechtzitting op 22 augustus 2013 is aangevangen heeft de verdediging op 5 juni 2013 de rechter-commissaris verzocht om een drietal getuigen te horen in aanwezigheid van de verdediging. Tevens heeft de verdediging de rechter-commissaris toen verzocht te bevorderen dat die getuigen niet nader verhoord zouden worden in afwezigheid van de verdediging, omdat – naar de verdediging stelde – de eerdere politieverhoren sturend en misleidend waren geweest. De officier van justitie was van die verzoeken op de hoogte, betwistte het sturende en misleidende karakter van de verhoren en stelde zich op het standpunt dat de verdediging noch de rechter-commissaris haar kon beletten de getuigen nader te horen.

Op 4 juli 2013 verzocht de verdediging de rechter-commissaris opnieuw om de verhoren zelf ter hand te nemen en te bewerkstelligen dat er buiten de aanwezigheid van de verdediging geen nadere verhoren van de getuigen zouden plaatsvinden. Voorts onderbouwde de verdediging nader het – in de ogen van de verdediging – sturende en misleidende karakter van de eerdere politieverhoren van de betreffende getuigen. De officier van justitie was ook hiervan op de hoogte.

Op 10 juli 2013 besliste de rechter-commissaris vervolgens dat de drie getuigen door haar gehoord zouden worden. De rechter-commissaris oordeelde enerzijds dat het verzoek, om te bevorderen dat de drie getuigen niet door politie of justitie buiten aanwezigheid van de verdediging zouden worden gehoord, onvoldoende onderbouwd was en anderzijds dat het verzoek de rol van de rechter-commissaris in het opsporingsonderzoek leek te miskennen. Nadien, in augustus 2013, heeft de verdediging bij de rechter-commissaris wederom tot twee maal toe bezwaar gemaakt - onder verwijzing naar onder andere jurisprudentie – tegen eventuele nadere politieverhoren. Daarbij concludeerde de verdediging dat dergelijke verhoren in afwezigheid van de verdediging in strijd zouden zijn met de beginselen van een goede procesorde waardoor verdachte in zijn verdediging zou worden geschaad.

Op 3 oktober 2013 berichtte de rechter-commissaris de verdediging dat horen buiten aanwezigheid van de verdediging geen verstoring van een goede procesorde zou opleveren mits de verdediging inzage zou krijgen in processen-verbaal van die verhoren vóór het verhoor op het kabinet van de rechter-commissaris.

Op 1 november 2013 werd het onderzoek ter terechtzitting hervat. De voorzitter deelde toen mede dat op 7 november 2013 een aantal getuigen zou worden gehoord door de rechter-commissaris, hetgeen door de officier van justitie ter terechtzitting werd bevestigd. Het onderzoek ter terechtzitting werd geschorst voor onbepaalde tijd en de stukken werden in de handen van de rechter-commissaris gesteld teneinde (onder andere) getuige 3 te horen.

Getuige 3 was, op het moment dat zij tijdelijk vanuit Letland naar Nederland werd overgebracht, in Letland veroordeeld en gedetineerd. Op 5 november 2013 wordt getuige 3 in Nederland door de politie gehoord van 9.00 tot 19.05 uur met een pauze van 11.35 tot 12.57 uur. Op 6 november 2013 wordt getuige 3 nogmaals door de politie verhoord en wel van 9.30 tot 15.10 uur. De rechtbank noch de verdediging was (tevoren) op de hoogte van het feit dat op 5 en 6 november 2013 getuige 3 door de politie gehoord zou worden buiten aanwezigheid van de verdediging.

Op 7 november 2013 blijkt dat de rechter-commissaris niet wist dat de rechtbank niet door de officier van justitie was ingelicht over de verhoren van 5 en 6 november 2013. Voorafgaand aan het verhoor van getuige 3 bij de rechter-commissaris op 7 november 2013 heeft de verdediging de rechter-commissaris gewraakt. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de eerder door haar gemaakte bezwaren alsmede het feit dat de officier van justitie de verdediging en de rechtbank heeft misleid door niet op de zitting van 1 november 2013 te melden dat getuige 3 op 5 en 6 november 2013 door de politie, buiten aanwezigheid van de verdediging, gehoord zou worden. Het verhoor door de rechter-commissaris wordt tot nadere datum aangehouden en het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Op 25 februari 2014 wordt, op instigatie van de verdediging, het onderzoek ter terechtzitting hervat.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en subsidiair om bewijsuitsluiting van de verklaringen van getuige 3 en getuige 1. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het parallel horen van getuige 3 op 5 en 6 november 2013 buiten aanwezigheid van de verdediging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde en aldus onrechtmatig. Voorts zijn zowel getuige 1 als getuige 3 op sturende wijze verhoord.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij het recht had om getuige 3 parallel te verhoren en dat van sturend verhoren van getuige 1 en getuige 3 geen sprake is geweest. Bovendien heeft de verdediging geen nadeel geleden omdat de verklaringen die getuige 3 bij de parallelle verhoren heeft afgelegd voor verdachte als minder belastend moeten worden beschouwd dan de eerdere verklaringen die getuige 3 in Letland heeft afgelegd. Er is dus geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring of bewijsuitsluiting.

Beoordeling Rechtbank

(Het belang van de) Getuige 3

De rechtbank stelt voorop dat bij de beslissingen over de voorlopige hechtenis van verdachte de verklaring van getuige 3 in het kader van de ernstige bezwaren een grote, zo niet doorslaggevende rol heeft gespeeld. De officier van justitie was zich daar ook van bewust. Zo stelde de officier van justitie zich op 27 juni 2013 bij het onderzoek in raadkamer gevangenhouding op het standpunt dat de verklaring van “getuige 3” (de rechtbank begrijpt: getuige 3) bijdroeg aan de ernstige bezwaren en ook ter terechtzitting van 22 augustus 2013 en 1 november 2013 baseerde de officier van justitie de ernstige bezwaren (onder andere) op de verklaringen van deze getuige. Bovendien bestempelde de officier van justitie ter terechtzitting van 25 februari 2014 getuige 3 als een “cruciale”, kwetsbare en jonge getuige.

Het openbaar ministerie mag verondersteld worden zich er van bewust te zijn dat procespartijen op hun hoede moeten zijn bij de beoordeling van de waarde van een getuigenverklaring. De verklaring van getuige 3 vormt daarop beslist geen uitzondering. Integendeel, deze getuige is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen voor wat betreft de eventuele bewijsvoering een cruciale getuige maar ook, op grond van de navolgende omstandigheden, een getuige met wie (althans met wier verklaringen) behoedzaam dient te worden omgegaan.

getuige 3 was immers emotioneel betrokken bij getuige 1 die van de levensberoving van het slachtoffer werd verdacht. Zij had met getuige 1 een serieuze liefdesrelatie en zij verklaarde dat zij van plan waren om te trouwen. Met getuige 2, die eveneens verdacht wordt betrokken te zijn bij de levensberoving van het slachtoffer, heeft getuige 3 een naar eigen zeggen slechte stiefdochter/stiefvaderrelatie. getuige 3 werd als getuige gehoord in de zaak tegen verdachte die volgens het openbaar ministerie de opdracht tot de levensberoving aan getuige 1 zou hebben gegeven. De Nederlandse opsporingsambtenaren hebben tijdens het verhoor van deze getuige in Letland op 21 maart 2013 op zijn zachtst gezegd het gewicht van een belastende verklaring in de zaak tegen verdachte laten doorschemeren. Zo werd de getuige voorgehouden dat het lastig zou worden om “dat te bewijzen” als het “1 verklaring is” maar dat als er meerdere verklaringen zouden zijn, dat het dan afgelopen zou zijn met verdachte. Er moet rekening mee gehouden worden dat de reeds kwetsbare getuige door deze bejegening zo mogelijk nog kwetsbaarder is geworden.

Ook getuige 1, de (toenmalige) partner van getuige 3, werd – terwijl hij gedetineerd was - op vergelijkbare wijze de noodzaak van meer dan één verklaring in de zaak tegen verdachte voorgehouden. Terzijde merkt de rechtbank op dat, anders dan de officier van justitie stelt, de getuigen niet uit eigen beweging hebben gevraagd om uitleg over bewijsminima maar dat de verhorende verbalisanten het bewijsminimum aan de getuigen hebben voorgehouden. Op het moment dat zulks aan getuige 1 werd voorgehouden rekenden de Nederlandse opsporingsambtenaren er op dat hij nog contact zou hebben met getuige 3. Dat blijkt wel uit het feit dat zij getuige 3 bij haar verhoor op 21 maart 2013 het telefoonnummer van mr. Vonken gaven omdat getuige 1 tijdens zijn verhoor in Letland had gezegd dat hij graag door die advocaat vertegenwoordigd zou willen worden. Van de reële mogelijkheid dat deze getuigen, tevens elkaars geliefden, - beiden bewust gemaakt van de noodzaak om meer dan één belastende verklaring tegen verdachte te vergaren - met elkaar daar over zouden spreken, moet ook de officier van justitie zich bewust zijn geweest.

Tot slot moet getuige 3 aldus ervan op de hoogte zijn geweest dat, in de optiek van de politie, de kans op een veroordeling mede van haar verklaring afhankelijk zou kunnen zijn. Zij werd vanuit Letland naar Nederland overgebracht opdat zij in het onderzoek tegen verdachte zou worden gehoord. Die omstandigheid zal voor getuige 3 ongetwijfeld ook met zich hebben gebracht dat zij zich ervan bewust was dat haar verklaring van groot gewicht zou (kunnen) zijn in de zaak tegen verdachte.

Op grond van bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank dan ook met de verdediging én de officier van justitie van oordeel dat getuige 3 een cruciale getuige is en dat met haar nader verhoor (en daaruit voortvloeiende verklaring) uiterst behoedzaam omgegaan diende te worden of, zoals de verdediging en de officier van justitie stellen, dat haar nader verhoor “delicaat” zou zijn. De rechtbank beschouwt getuige 3 gelet op al hetgeen hierboven is overwogen dan ook als een bijzondere getuige.

Geen parallelle opsporing; strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde

Anders dan de verdediging en de officier van justitie beschouwt de rechtbank de nadere verhoren van getuige 3 op 5 en 6 november 2013 niet als een vorm van parallelle opsporing. Parallelle opsporing is een wijze van onderzoek naar een strafbaar feit onder leiding van de officier van justitie dat afzonderlijk en naast elkaar – of anders gezegd: parallel - loopt aan een ander strafrechtelijk onderzoek naar datzelfde strafbare feit onder leiding van de rechter(-commissaris).

Bij getuige 3 ging om het verhoor van een getuige dat op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris (op 7 november 2013) in aanwezigheid van de verdediging zou gaan plaatsvinden. De rechtbank had voor dat getuigenverhoor de zaak naar de rechter-commissaris verwezen. Door het op 5 en 6 november 2013 laten horen door de politie van die getuige, voorafgaand aan het verhoor van 7 november 2013 bij de rechter-commissaris, heeft de officier van justitie aldus geen afzonderlijk oftewel parallel onderzoek laten verrichten maar heeft zij zich rechtstreeks gemengd in het onderzoek dat de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank zou gaan uitvoeren. Zulks overigens terwijl de verdediging diverse malen gemotiveerd bezwaar had gemaakt tegen een nader verhoor van getuige 3 buiten haar aanwezigheid.

Ten tijde van de terechtzitting op 1 november 2013 stond vast dat de getuige 3 op 7 november door de rechter-commissaris en aldus in het bijzijn van de verdediging zou worden gehoord. De officier wist toen, ten tijde van de terechtzitting van 1 november 2013, ook al dat de getuige voorafgaand aan dat verhoor door de politie en buiten aanwezigheid van de verdediging zou worden gehoord. De officier van justitie heeft er, aldus haar mededeling ter terechtzitting van 25 februari 2014, bewust voor gekozen om de rechtbank noch de verdediging van die geplande verhoren op de hoogte te stellen. Dat was, aldus de officier van justitie, omdat er “wellicht” vanuit (de zijde van) verdachte beïnvloeding van de getuige zou kunnen plaatsvinden. Dat argument kan de rechtbank niet overtuigen. Er was immers, zo deelde de officier van justitie desgevraagd mede, geen enkele aanwijzing dat zo een beïnvloeding zou kunnen gaan plaatsvinden. Bovendien was de getuige gedetineerd en stond zij aldus onder toezicht van de politie. Van de noodzaak om getuige 3 langdurig, zonder medeweten en buiten aanwezigheid van de verdediging, te horen heeft de officier van justitie de rechtbank evenmin kunnen overtuigen. Volgens de officier van justitie was het “praktischer” om de getuige voorafgaand aan het verhoor bij de rechter-commissaris te horen nu de getuige nog naar veel details moest worden gevraagd. Dat verklaart echter niet waarom de verdediging dan niet bij die verhoren aanwezig zou kunnen zijn. Ten slotte heeft de officier van justitie ook desgevraagd niet uitgelegd waarom, als aanvullende verhoren nodig waren, die politieverhoren niet ná het verhoor bij de rechter-commissaris hadden kunnen plaatsvinden. De getuige zou immers pas op maandag 11 november 2013 terugvliegen naar Letland.

De officier van justitie heeft aldus met opzet de rechtbank en de verdediging niet over de geplande politieverhoren van 5 en 6 november 2013 ingelicht en heeft vervolgens getuige 3 in het geheim twee dagen lang aan een verhoor onderworpen. De rechtbank stelt vast de officier van justitie geen bevredigende uitleg heeft kunnen verschaffen over de noodzaak van die politieverhoren, in het geheim en buiten aanwezigheid van de verdediging en vóór het verhoor bij de rechter-commissaris. Evenmin heeft de officier van justitie ook maar een begin van een aanvaardbare uitleg gegeven over de noodzaak om de verdediging en rechtbank tevoren niet op de hoogte te stellen van de geplande politieverhoren. Tenslotte heeft de officier van justitie de rechter-commissaris niet medegedeeld dat de rechtbank niet op de hoogte was van de geplande politieverhoren.

Dat laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de officier van justitie bewust de verdediging uit die politieverhoren heeft willen weren. Daarbij heeft de officier van justitie niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen door zich geen rekenschap te geven van de positie van de verdediging en haar belangen. Op de vraag van de rechtbank waarom zij - wetende van de principiële bezwaren van de verdediging - er niet voor heeft gekozen om met de rechter-commissaris en de verdediging de gang van zaken rondom het horen van getuige 3 tijdens haar verblijf in Nederland te bespreken, antwoordde de officier van justitie dat zulks eenvoudigweg niet bij haar was opgekomen. Dat acht de rechtbank onbegrijpelijk en onzorgvuldig.

De stelling van de officier van justitie dat de verdediging met de mogelijkheid van nadere politieverhoren rekening had moeten houden nu getuige 1 ook reeds nader door de politie was verhoord, wijst de rechtbank van de hand. De verdediging heeft immers in de loop naar de terechtzitting van 1 november 2013 herhaaldelijke malen bezwaar gemaakt tegen nadere verhoren van getuige 1 en getuige 3. Op 1 november 2013 was bekend, en dat is op de terechtzitting aan de orde geweest, dat getuige 3 kort daarna en wel op 7 november 2013 bij de rechter-commissaris gehoord zou worden. De officier van justitie heeft toen met geen woord gerept over de geplande nadere verhoren. De rechtbank is van mening dat de verdediging er dus niet op bedacht hoefde te zijn dat getuige 3 in de korte tijd gelegen tussen 1 en 7 november 2013 (feitelijk maar 3 werkdagen) nog nader zou worden verhoord. Ook de rechtbank was daar niet op bedacht. Daarnaast maakt het gegeven dat getuige 1 nader was verhoord niet dat de officier van justitie zich ten opzichte van getuige 3 aan haar verantwoordelijkheid kan onttrekken noch dat haar handelen om die reden minder zorgvuldig zou moeten zijn. Integendeel. Bovendien staat thans ter beoordeling de gang van zaken rondom de verhoren van getuige 3 op 5 en 6 november 2013 en niet die rondom de verhoren van getuige 1.

Conclusie

Onder de geschetste omstandigheden, mede gelet op feit dat de getuige een bijzondere getuige betreft, acht de rechtbank de handelwijze van de officier van justitie dan ook in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en mitsdien onrechtmatig.

Dat stelt de rechtbank voor de vraag of en zo ja welk gevolg moet worden verbonden aan het onrechtmatig handelen van de officier van justitie.

Bij de beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer stelt de rechtbank voorop dat het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Behalve op grond van wettelijke vervolgingsbeletselen is daarvoor plaats wanneer is voldaan aan het Zwolsman-criterium (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249) of het Karman-criterium (HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567). Tegen deze achtergrond moet het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging worden bezien.

Zwolsman-criterium

Het Zwolsman-criterium is geïncorporeerd in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en is aan de orde bij een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, dat erin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarbij dient wel steeds rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

De rechtbank beschouwt het onrechtmatig handelen van de officier van justitie zoals hierboven weergegeven, als een verzuim van vormen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het enkele gegeven dat het onrechtmatig handelen van de officier van justitie niet heeft plaatsgevonden tijdens het voorbereidend onderzoek niet in de weg dient te staan aan toepassing van het Zwolsman-criterium. Immers, waar aan het recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan mag het al dan niet ontzeggen van het vervolgingsrecht niet afhangen van het feit of er al dan niet reeds een terechtzitting heeft plaatsgevonden. Een andere opvatting zou betekenen dat een onherstelbaar vormverzuim waarbij een eerlijk proces niet meer gegarandeerd kan worden maar dat niet heeft plaatsgevonden tijdens het voorbereidend onderzoek (en dat niet het wettelijk systeem in de kern raakt), niet zou kunnen leiden tot ontzegging van het vervolgingsrecht. Een dergelijke opvatting is en kan niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever en zou in strijd zijn met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM.

Toetsing aan het Zwolsman-criterium

Het verzuim van vormen is naar het oordeel van de rechtbank slechts deels herstelbaar voor zover het verzuim ziet op de mogelijkheid om - door middel van het bekijken en beluisteren van de audiovisueel vastgelegde verhoren van getuige 3 – invloed uit te oefenen op de vastlegging van (de gang van) de verhoren. Het vormverzuim is naar het oordeel van de rechtbank echter voor het overige onherstelbaar.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet doorslaggevend dat het resultaat van de nadere politieverhoren van getuige 3 als zodanig – de voor verdachte minder belastende verklaringen – geen nadeel voor de verdediging lijken op te leveren. Ook wil een dergelijk resultaat niet zeggen dat de waarheidsvinding niet bemoeilijkt is. Waar het om gaat is of met de vastgestelde handelwijze van de officier van justitie aan verdachtes recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.

Toetsing van getuigenverklaringen op consistentie en betrouwbaarheid is van belang voor de waarheidsvinding en de bewijsvoering en daarmee óók van belang voor de (positie van de) verdachte en zijn verdediging. Toetsing is aldus van belang voor het garanderen van een eerlijk proces. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat een getuige, na een verhoor bij de politie, reeds om die reden minder onbevangen is bij het aangaan van een nader verhoor dan een getuige die niet reeds tevoren door de politie is gehoord. Dat gegeven op zichzelf maakt niet dat nader verhoor van een getuige niet zinvol meer kan zijn. De rechtbank stelt evenwel voorop dat zulks, het minder onbevangen aangaan van een verhoor, in veel sterkere mate heeft te gelden in geval van getuige 3. Zij is niet alleen eerst in Letland verhoord maar is daarna overgebracht naar – voor haar – het buitenland om aldaar twee dagen lang door de Nederlandse politie aan een tweetal langdurige verhoren te worden onderworpen. De rechtbank roept hier in herinnering wat zij eerder heeft overwogen: dat deze getuige als een bijzondere getuige moet worden beschouwd, aan wie – als ook aan haar geliefde met wie zij contact had - het gewicht van een belastende verklaring was kenbaar gemaakt en die zich er aldus van bewust moet zijn geweest dat de kans op een veroordeling mede van haar verklaring afhankelijk zou kunnen zijn.

Hoe de getuige zich bij de nadere verhoren in aanwezigheid van de verdediging dan wel zonder die nadere verhoren bij het rechter-commissaris verhoor zou hebben opgesteld, valt niet meer te achterhalen. Zo is bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat zij geheel dan wel gedeeltelijk zou zijn teruggekomen op haar eerdere verklaring of dat zij de rol van verdachte anders zou hebben ingekleurd. Van de kwaliteit van nader verhoor van getuige 3 kan bovendien ook niet meer voldoende worden verwacht in die zin dat het effect kan worden uitgeschakeld dat de langdurige nadere verhoren in haar geest zal hebben achtergelaten. Immers, als de getuige zich al van (de mate van) dat effect bewust zou zijn – hetgeen de rechtbank niet waarschijnlijk acht – blijft de situatie zodanig dat niet valt te achterhalen hoe de getuige het verhoor aangegaan zou zijn indien de verdediging wél aanwezig zou zijn geweest. Zulks is, mede gelet op de psychologische mechanismen van langdurige politieverhoren, eenvoudigweg niet meetbaar. Bovendien is het aannemelijk dat hoe vaker en langer een getuige is gehoord en aldus verklaringen heeft afgelegd, hoe moeilijker het voor een getuige zal zijn om die verklaringen bij te stellen, te nuanceren of daarop terug te komen én hoe moeilijker het is voor de verdediging om zulks (proberen) te bewerkstelligen door middel van het stellen van kritische vragen. Tot slot is niet ondenkbaar dat de getuige door de langdurige verhoren er eenvoudigweg ‘genoeg’ van heeft en alleen al om die reden – al dan niet bewust – geneigd is minder mee te werken en minder volledig of accuraat te antwoorden op bepaalde vragen zodat ook op die wijze afbreuk wordt gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging alsook de waarheidsvinding. Nader verhoor voor de verdediging om de getuige alsnog te confronteren en bevragen waarbij de belangen van verdachte ten volle tot hun recht zouden komen behoort dan ook niet meer tot de mogelijkheden.

Gelet op de genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijk proces onherstelbaar te kort is gedaan. Door de handelwijze van de officier van justitie – het mengen in het onderzoek van de rechter(-commissaris) – en vanwege haar wetenschap over de bijzondere positie van de getuige alsmede het feit dat zij zonder noodzaak de verdediging met opzet van die nadere, delicate verhoren heeft geweerd is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor zo niet doelbewust dan toch met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

Karman-criterium

Het Karman-criterium heeft betrekking op vormverzuimen in het algemeen en is aan de orde - los van de vraag of daardoor de belangen van de verdachte zijn geschaad - indien het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd, in de kern is aangetast.

In het zogenaamde ‘Karman arrest’ ging het om een handelwijze van het openbaar ministerie die in strijd was met de grondslagen van het strafproces (met name met de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter), waardoor het wettelijk systeem in de kern was geraakt. Het arrest heeft betrekking op de miskenning van de onafhankelijkheid van de rechter door de officier van justitie. Dat het Karman-criterium ook juist dáár (enkel) over gaat, wordt bevestigd door het zogenaamde Post-Karman arrest I (HR 3 juli 2001, NJ 2002, 8) waar de Hoge Raad verwijst naar het Karman-criterium als handelingen in strijd met de grondslagen van het strafproces en in dat verband het fundamenteel belang dat de gemeenschap heeft bij de inachtneming van de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter.

Hoewel op andere gronden is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat ook het Karman-criterium in de zaak tegen verdachte een rol speelt.

In het voorbereidend onderzoek is de officier van justitie de centrale autoriteit. Met de ‘Wet versterking positie rechter-commissaris’ is die positie alleen maar méér centraal geworden. In die nieuwe regeling van het voorbereidend onderzoek is de rol van de rechter-commissaris immers niet meer primair die van onderzoeksrechter maar die van toezichthouder. Zodra het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, komt de zaak aan de zittingsrechter toe. De (zittings)rechter is vanaf dat moment de centrale autoriteit en alsdan geschiedt de uitoefening van de bevoegdheden van de procespartijen binnen het door de rechter te bepalen kader.

De rechtbank had op 1 november 2013 de zaak verwezen naar de rechter-commissaris opdat de rechter-commissaris, op verzoek van de verdediging, getuige 3 zou gaan horen. Toen wist de officier van justitie dat zij buiten medeweten van de verdediging diezelfde getuige door de politie zou gaan laten horen. Doordat de officier van justitie die geplande verhoren van 5 en 6 november 2013 bewust niet ter sprake heeft gebracht, heeft zij de verdediging de mogelijkheid ontnomen om de gang van zaken aan de rechtbank (tijdig) voor te leggen. Tegelijkertijd heeft de officier van justitie door haar (ver)zwijgen zowel de rechtbank op het onderzoek ter terechtzitting van 1 november 2013, als ook de rechter-commissaris voorafgaand aan de nadere verhoren, de mogelijkheid ontzegd om over de geplande gang van zaken en handelwijze van de officier van justitie een oordeel te geven. De rechter is er immers verantwoordelijk voor dat de verdachte wordt berecht met in achtneming van de eisen van een eerlijk proces. Die rol van de toetsende en controlerende rechter(-commissaris) vloeit voort uit de verdeling van de bevoegdheden in de strafrechtspleging tussen de onafhankelijke rechter en het openbaar ministerie.

Er was zoals gezegd geen sprake van een parallel onderzoek van de officier van justitie maar de officier van justitie heeft zich op onrechtmatige wijze gemengd in het onderzoek zoals bevolen door de rechtbank en heeft daarmee dat onderzoek van de rechtbank gefrustreerd. De officier van justitie heeft van die inmenging de rechtbank en verdediging opzettelijk in het ongewisse gelaten en opzettelijk de getuige in het geheim gehoord. Die inmenging heeft bovendien zoals hierboven is vastgesteld, tot gevolg gehad dat de waarheidsvinding is gefrustreerd. Die inmenging raakt de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie enerzijds en de rechter(-commissaris) anderzijds met als gevolg dat het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Immers, met het overlaten van de zaak aan de rechter doordat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen is het onverenigbaar dat de officier van justitie in een zaak als deze zelfstandig en buiten de rechtbank om een bijzondere getuige als getuige 3 voorafgaand aan het verhoor zoals bevolen door de rechtbank, onderwerpt aan een tweetal langdurige verhoren.

Eindconclusie

Aldus is de waarheidsvinding - nu het gaat om een voor deze strafzaak en eventuele bewijsvoering cruciale getuige - ter terechtzitting ernstig bemoeilijkt doordat de officier van justitie een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank acht het belang van het geschonden voorschrift – de waarheidsvinding door het ongemoeid laten van deze bijzondere getuige – in de zaak tegen verdachte bijzonder groot. Daarenboven is verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk en blijvend in zijn belangen geschaad en lijdt verdachte daardoor nadeel. Hij is immers op onherstelbare wijze beknot in zijn verdediging en ondervragingsrecht. Ten slotte beoordeelt de rechtbank het verzuim als bijzonder ernstig nu de verdediging bewust van de nadere verhoren is geweerd en de verdediging en rechtbank opzettelijk in het ongewisse zijn gelaten.

Door de handelwijze van de officier van justitie is voorts het wettelijk systeem in de kern aangetast.

Gelet daarop alsmede gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het veroorzaakte nadeel dient naar het oordeel van de rechtbank het openbaar ministerie het vervolgingsrecht te worden ontzegd.

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie aldus niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF