Niet-ontvankelijkheid OM omdat slachtoffer niet zelf aangifte en klacht heeft gedaan van smaad en smaadschrift

Rechtbank Oost-Brabant 13 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5389

Verdachte staat terecht voor diverse ter zitting gevoegde dagvaardingen. In een van de zaken wordt de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard omdat het slachtoffer niet zelf aangifte en klacht heeft gedaan van de klachtdelicten smaad en smaadschrift. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, laster en belediging van een politiefunctionaris. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaar.

De raadsvrouwe heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie in deze zaak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe heeft de raadsvrouwe - kort samengevat - aangevoerd dat niet is voldaan aan de vereisten voor het indienen van een klacht. De klacht is niet ingediend door de klachtgerechtigde zelf, maar door zijn moeder. Hoewel de moeder namens het slachtoffer schriftelijk gevolmachtigd had kunnen worden tot het doen van de klacht namens haar zoon, geeft het dossier geen blijk van een schriftelijke volmacht. Gelet op het voorgaande was de moeder van het slachtoffer niet bevoegd tot het doen van de klacht. Wegens het ontbreken van een uitdrukkelijk verzoek van de klachtgerechtigde zelf om over te gaan tot de vervolging van verdachte, dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 16 maart 2015 en op 25 september 2015 heeft de moeder van het slachtoffer aangifte gedaan jegens verdachte met het uitdrukkelijke verzoek over te gaan tot vervolging. In de aangifte is telkens vermeld dat de moeder aangifte/klacht deed (mede) namens haar zoon, zijnde het slachtoffer in deze zaak. De rechtbank stelt vast dat geen aangifte dan wel klacht is gedaan door het slachtoffer zelf.

De ten laste gelegde gedragingen, smaad en smaadschrift, zijn - op grond van artikel 269 jo. 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht - aan te merken als klachtdelicten. Deze delicten worden niet vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Dit klachtvereiste sterkt ertoe dat het persoonlijk belang van het slachtoffer niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging, de voorrang heeft boven het algemeen belang van strafvervolging. Met die gedachte strookt ook dat artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering ertoe strekt te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen.

Ingevolge artikel 64 van het Wetboek van Strafrecht is degene tegen wie het delict is begaan gerechtigd tot de klacht. Van één van de in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht genoemde uitzonderingen op deze regel, waarbij een ander dan het slachtoffer klachtgerechtigd is, is geen sprake. Evenmin is gebleken van een schriftelijke, aan de akte gehecht volmacht, waaruit volgt dat de moeder namens het slachtoffer gerechtigd was tot het doen van klacht.

Nu het slachtoffer zelf geen aangifte en klacht heeft gedaan en niet is gebleken van bedoelde volmacht, kan niet worden vastgesteld dat het slachtoffer uitdrukkelijk heeft verzocht om strafvervolging, zodat niet aan het klachtvereiste is voldaan. Dat brengt met zich dat de officier van justitie in de zaak met parketnummer 01/196622-15 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

 

Print Friendly and PDF