Niet-ontvankelijkheid OM in hoger beroep door instellen, intrekken en weer instellen hb

Gerechtshof Amsterdam 22 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3388

In eerste aanleg zijn drie feiten onderhevig geweest aan het oordeel van de rechtbank van Amsterdam. Het betrof twee gevoegde zaken. De eerste twee feiten zijn aangemerkt als de hoofdzaak (zaak A) met parketnummer 13-665236-13. Een derde feit (witwassen) met parketnummer 13-674428-14 is daarbij gevoegd (zaak B). Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2015 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van het voorarrest, ter zake het medeplegen van mishandeling, zoals ten laste gelegd in zaak A onder 1 subsidiair (eerste alternatief). De verdachte is vrijgesproken van het in zaak A onder 1 primair, 1 subsidiair tweede alternatief, 2 en van het in zaak B ten laste gelegde.

Uit een afschrift van de akte instellen rechtsmiddel blijkt dat de officier van justitie op 15 september 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis in de zaak met parketnummer 13-674428-14. Op het afschrift van de akte instellen rechtsmiddel bevindt zich een (kennelijk mee-gekopieerd) geeltje waarop in handschrift staat vermeld dat het parketnummer van de strafzaak een gevoegde zaak is en dat de Officier hierover is gebeld.

In het dossier bevindt zich een akte intrekking rechtsmiddel, waaruit blijkt dat de officier van justitie op 16 september 2015 het ingestelde hoger beroep tegen het eindvonnis in de zaak met parketnummer 13-674428-14 heeft ingetrokken, en voorts een akte instellen rechtsmiddel (met een opvolgend appelnummer), waaruit blijkt dat de officier van justitie op 16 september 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis in zowel de zaak met parketnummer 13-665236-13 als (opnieuw) in de zaak met parketnummer 13-674428-14.

De schriftuur hoger beroep OM van 22 september 2015, ingediend voor zowel de straf- als de ontnemingszaak tegen de verdachte, behelst de bezwaren van de officier van justitie tegen het vonnis van 10 september 2015. Uit deze schriftuur kan worden opgemaakt dat het appel zich richt tegen de vrijspraak voor het in zaak B met parketnummer 13-674428-14 ten laste gelegde witwassen en tegen de afwijzing van de ontnemingsvordering.

Gelet op het voorgaande ziet het hof zich geconfronteerd met de vraag in hoeverre het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep ten aanzien van enerzijds de zaak met parketnummer 13-665236-13 en anderzijds de zaak met parketnummer 13-674428-14.

Op 1 juli 2016 heeft de advocaat-generaal zijn conclusie in de ontnemingszaak per mail aan het hof doen toekomen. In deze conclusie is de advocaat-generaal ingegaan op de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de strafzaak met parketnummer 13-674428-14. Daarnaast heeft de advocaat-generaal aangegeven dat er met betrekking tot de zaak met parketnummer 13-665236-13 nog altijd geen grieven bestaan van de zijde van het Openbaar Ministerie en het Openbaar Ministerie ten aanzien van die zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard in het hoger beroep.

Standpunt Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep is de kwestie rondom de voormelde akte intrekking rechtsmiddel van de zaak met parketnummer 13-674428-14 aan de orde geweest en heeft de advocaat-generaal het hof verzocht het Openbaar Ministerie ontvankelijk te achten in het ingestelde hoger beroep, – kort samengevat – stellende dat de akte intrekking rechtsmiddel moet worden beschouwd als een administratieve herstelakte, nu de officier van justitie van de griffie te horen had gekregen het appel tegen het vonnis in de hoofdzaak (parketnummer 13-665236-13) te moeten instellen om het hoger beroep in de zaak met parketnummer 13-674428-14 administratief te kunnen verwerken. Door deze gang van zaken, die duidelijk een administratieve achtergrond heeft gehad en waarvan de verdachte niet op de hoogte is gesteld, is de verdachte niet in zijn belangen geschaad. Daarnaast dient er een wilsbesluit van de officier van justitie aan ten grondslag te hebben gelegen om de akte intrekking rechtsmiddel van 16 september 2015 te zien als een intrekking zoals bedoeld in artikel 453 van het Wetboek van Strafvordering. Nu dit niet het geval is geweest, moet, gelet op de bijzondere omstandigheden, worden geoordeeld dat de intrekking niet kan gelden als afstand in de zin van artikel 453 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, aldus de advocaat-generaal.

Overwegingen hof

In de zaak met parketnummer 13-665236-13

Op grond van de schriftuur hoger beroep OM en de conclusie van de advocaat-generaal in het hoger beroep is gebleken dat het Openbaar Ministerie, ondanks het ingestelde hoger beroep in de zaak met parketnummer 13-665236-13, geen grieven heeft ingediend tegen de in het vonnis van de rechtbank Amsterdam genomen beslissingen in die zaak. Nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met voortgezette behandeling van deze zaak, zal de officier van justitie, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

In de zaak met parketnummer 13-674428-14

De officier van justitie heeft op 16 september 2015 een akte intrekking rechtsmiddel ondertekend. Niet is gebleken dat de officier van justitie van de griffie de instructie heeft gekregen het eerder ingestelde rechtsmiddel in te trekken om op die manier een geldig rechtsmiddel in de gevoegde zaken met meergenoemde parketnummers te kunnen instellen dan wel dat de akte intrekking rechtsmiddel de facto een administratieve herstelakte betreft. Het hof laat in dit verband nog buiten beschouwing de vraag of de officier van justitie, als professionele procespartij, wel af mag gaan op mededelingen van de griffie van de rechtbank als die tegen de wetsbepaling ingaan dat een ingetrokken rechtsmiddel wordt beschouwd als het doen van afstand van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel opnieuw in te stellen. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden waardoor zou kunnen worden geoordeeld dat de intrekking van het rechtsmiddel niet heeft te gelden als een intrekking conform artikel 453 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal derhalve ook in de zaak met parketnummer 13-674428-14 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF