Niet-ontvankelijkheid in hb op de grond dat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend. De inhoud van de aan de cassatieschriftuur gehechte kopieën biedt evenwel grond voor vermoeden dat wel een schriftuur is ingediend.

Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:8

Feiten

Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 11 februari 2011 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank te Arnhem van 29 september 2010, waarbij de verdachte wegens diefstal op tegenspraak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en waarbij de politierechter voorts de vordering van de benadeelde partij deels heeft toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting heeft opgelegd, een en ander zoals in het vonnis vermeld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte art. 416, tweede lid, Sv heeft toegepast, nu het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend.

Beoordeling Hoge Raad

In het middel wordt gesteld dat namens de verdachte binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Arnhem van 29 september 2010 door haar raadsman een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv is ingediend bij de Rechtbank Arnhem. Ter staving van deze stelling zijn aan de cassatieschriftuur kopieën gehecht van:

(i) een schrijven van 13 oktober 2010 van mr. A.J.M. Bommer, gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem. Dit schrijven houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"Hierbij deel ik u de grieven mee.

Verdachte is het niet eens met de onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij acht een voorwaardelijke gevangenisstraf meer passend.

In ieder geval is de opgelegde gevangenisstraf te zwaar.

Tenslotte is ten onrechte een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend."

(ii) een "verzend controle rapport" waaruit kan worden afgeleid dat het onder (i) bedoelde schrijven op 13 oktober 2010 om 21.42 uur per fax is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem;

(iii) een journaaloverzicht van het faxapparaat van het kantoor van de raadsman waaruit kan worden afgeleid dat op 13 oktober 2010 om 21.42 uur een faxbericht is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem met als "result" de vermelding: "OK".

Het Hof heeft mede op de grond dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De inhoud van de genoemde stukken biedt evenwel grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond hiervan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur wel is ingediend.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF