Niet betalen te kwalificeren als oplichting?

Rechtbank Den Haag 22 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11657 Verdachte heeft in een periode van ruim twee jaren van een groot aantal personen en/of bedrijven goederen en diensten afgenomen, voor welke goederen en diensten hij, ondanks de toezeggingen daartoe, telkens niet of slechts deels heeft betaald.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het handelen van verdachte telkens kan worden gekwalificeerd als oplichting en in het bijzonder of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Sr. Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 15 december 2012 tot en met 21 mei 2013 in totaal ongeveer €16.000 van zijn toenmalige vriendin heeft gestolen door middel van gebruikmaking van haar pinpas met pincode (dagvaarding I feit 1). Verdachte heeft erkend dat hij wel eens geld van de bankrekening van zijn toenmalige vriendin heeft gepind. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of daarbij ook sprake is geweest van diefstal.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde diefstal dient te worden vrijgesproken, omdat verdachte en aangeefster T.S. Koop een relatie met elkaar hadden en het onvoldoende duidelijk is of verdachte de geldbedragen telkens daadwerkelijk zonder medeweten van aangeefster van haar bankrekening heeft gepind en in hoeverre hij die geldbedragen van aangeefster heeft gestolen. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde oplichtingen heeft begaan, doordat hij zich telkens in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide en kredietwaardige ondernemer dan wel betrouwbaar werkgever (het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit) die de rekeningen en het loon wilde en zou gaan betalen en derhalve telkens een valse hoedanigheid heeft aangenomen waardoor de aangevers tot afgifte van goederen dan wel diensten werden bewogen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie gepleit tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft voorts bepleit verdachte van de bij dagvaarding I ten laste gelegde oplichtingen vrij te spreken. Hiertoe heeft zij ten eerste aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide en kredietwaardige ondernemer. Verdachte was daadwerkelijk ondernemer en er kan niet worden vastgesteld dat hij niet kredietwaardig was. Hij had derhalve geen valse hoedanigheid aangenomen. Verdachte heeft nog altijd de intentie om de openstaande rekeningen te betalen, aldus de raadsvrouw. Mocht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide en kredietwaardige ondernemer, dan heeft de raadsvrouw subsidiair bepleit verdachte van de bij dagvaarding I ten laste gelegde oplichtingen vrij te spreken, omdat het vaste jurisprudentie is dat dit enkele gegeven geen valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht oplevert en zich geen bijkomende omstandigheden hebben voorgedaan. De raadsvrouw heeft als laatste bepleit verdachte tevens van het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit vrij te spreken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als goed/betrouwbaar werkgever. Verdachte heeft wel degelijk salaris betaald aan aangeefster en er is een andere maand salaris uitgekeerd aan aangeefster door de VVE die dat bedrag heeft verrekend met hun betaling aan het bedrijf van verdachte. Volgens de raadsvrouw betreft deze zaak een civiel-/arbeidsrechtelijke kwestie en levert dit geen oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht op.

Beoordeling rechtbank 

Feit 1 dagvaarding I

Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, nu op grond van het dossier onvoldoende duidelijk is dat verdachte zich de geldbedragen daadwerkelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Feiten 2 tot en met 8 dagvaarding I en dagvaarding II

Dagvaarding I feit 2

Verdachte heeft op 17 mei 2013 voor zijn schoonmaakbedrijf 1 in totaal voor €651,75 aan schoonmaakartikelen op rekening gekocht bij groothandel slachtoffer 2 te Rijswijk, welke artikelen verdachte direct heeft meegenomen. Van de artikelen is een factuur opgemaakt op naam van het schoonmaakbedrijf van verdachte welke aan verdachte is meegegeven. Hierbij is verdachte medegedeeld dat de factuur binnen dertig dagen na afname dient te zijn voldaan. Verdachte heeft de factuur niet betaald.

Dagvaarding I feit 3

Verdachte heeft op 14 april 2013 met een groep van 15 personen in totaal voor €500 op rekening van zijn bedrijf 1 gegeten en gedronken bij slachtoffer 4 te Aalsmeer. Hiervan is een rekening opgemaakt welke ter attentie van verdachte naar het bedrijf 1 is gestuurd. Verdachte heeft de rekening niet betaald.

Dagvaarding I feit 4

Verdachte heeft op 20 augustus 2012 en 21 augustus 2012 in totaal voor €259,65 op rekening van zijn zaak bedrijf 2 gegeten en gedronken en sigaretten gekocht bij slachtoffer 6 te Den Haag. Met de eigenaar van het restaurant heeft verdachte bij het bestellen de afspraak gemaakt dat hij de openstaande rekeningen naar de bankrekening van het restaurant zou overmaken. Verdachte heeft de openstaande rekeningen niet betaald.

Dagvaarding I feit 5

Op 24 augustus 2012, 26 augustus 2012 en 24 september 2012 zijn door slachtoffer 8 te Amersfoort op rekening limousineritten met een totale waarde van €1.245 voor verdachte verzorgd, welke limousineritten door verdachte vooraf bij dochteronderneming slachtoffer 8 waren gereserveerd. De facturen hiervan zijn naar het door verdachte opgegeven factuuradres van bedrijf 2 gestuurd. Voor de facturen geldt een betalingstermijn van veertien dagen. Verdachte heeft de facturen niet betaald.

Dagvaarding I feit 6

Verdachte heeft op 12 juni 2013 voor zijn schoonmaakbedrijf 3 een schoonmaaksysteem ter waarde van €10.310,66 gekocht bij slachtoffer 10 te Boven Leeuwen. Begin juni 2013 had de eigenaar slachtoffer 11 op verzoek van verdachte reeds een offerte voor het schoonmaaksysteem opgesteld. Verdachte is akkoord gegaan met de prijs en de levering. Op 12 juni 2013 is er een factuur op naam van bedrijf 3 opgemaakt en is het kenteken van het schoonmaaksysteem overgeschreven op naam van het schoonmaakbedrijf van verdachte. Op 20 september 2013 heeft verdachte een bedrag van €50 betaald. Het overige deel van de factuur heeft hij niet betaald.

Dagvaarding I feit 7

Verdachte heeft in de periode van 24 juni 2011 tot en met 1 november 2013 op naam van verschillende van zijn bedrijven in totaal 39 zakelijke gsm abonnementen afgesloten bij verschillende telecom providers van het moederbedrijf Koninklijke KPN BV. Hierbij zijn in totaal 37 gsm toestellen aan verdachte verstrekt. Verdachte heeft bij de afsluiting van de abonnementen telkens het bankrekeningnummer van het betreffende bedrijf voor automatische incasso opgegeven. Van één van de abonnementen is incasso van één van de in totaal vier rekeningen gelukt. Bij de overige abonnementen is automatische incasso in het geheel niet mogelijk geweest en is betaling uitgebleven.

Dagvaarding I feit 8

Verdachte heeft in de periode van 17 januari 2013 tot en met 14 november 2013 op naam van verschillende van zijn bedrijven in totaal 17 zakelijke gsm abonnementen afgesloten bij T-Mobile. Hierbij zijn in totaal 12 gsm toestellen aan verdachte verstrekt.

Verdachte heeft bij de afsluiting van de abonnementen telkens het bankrekeningnummer van het betreffende bedrijf voor automatische incasso opgegeven, waarna automatische incasso onmogelijk bleek. Betaling van de rekeningen is grotendeels uitgebleven.

Dagvaarding II

Op 1 juni 2013 is aangeefster slachtoffer 12 na een gesprek met verdachte op diezelfde datum middels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als schoonmaakster in dienst getreden bij bedrijf 1 , een bedrijf van verdachte. Het salaris dat is overeengekomen bedroeg €901,50 bruto per maand. Volgens de arbeidsovereenkomst zou het salaris telkens worden uitbetaald voor het einde van de loonperiode. Aangeefster heeft tot 27 november 2013 voor het bedrijf van verdachte gewerkt. Met uitzondering van de maand juli 2013 is door verdachte geen loon aan aangeefster uitbetaald.

Valse hoedanigheid

Bonafide ondernemer/werkgever

De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld of verdachte zich telkens ten tijde van het aangaan van de koop- dan wel dienstverleningsovereenkomst in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide en kredietwaardige ondernemer dan wel werkgever die wilde en zou gaan betalen.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat verdachte, met uitzondering van het bij dagvaarding I onder 6 ten laste gelegde feit, telkens betalingsverplichtingen is aangegaan waarbij het gebruikelijk is dat betaling ofwel onmiddellijk ofwel achteraf middels een factuur, overboeking of middels machtiging geschiedt. Door het vermelden van zijn bedrijfsnaam en door te handelen vanuit zijn hoedanigheid als ondernemer en uit naam van zijn bedrijf heeft hij bij de aangevers telkens het vertrouwen gewekt dat hij kredietwaardig was en dat de rekeningen zouden worden betaald.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit heeft verdachte zich via de internetsite van slachtoffer 2 aangemeld en daarbij de gegevens van zijn bedrijf 1 vermeld. Deze gegevens zijn door slachtoffer 2 gecontroleerd en bleken in orde te zijn. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit heeft verdachte voorafgaand aan het dineren afgesproken dat de rekening naar zijn bedrijf 1 zou worden gestuurd en heeft hij in het restaurant een uitdraai van de gegevens van zijn bedrijf van de Kamer van Koophandel overgelegd alsmede een visitekaartje waarop stond dat hij de directeur was van het bedrijf. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 4 ten laste gelegde feit heeft verdachte beide keren bij het bestellen aangegeven dat hij het geld via de bankrekening van zijn bedrijf 2 naar de bankrekening van slachtoffer 6 wilde overmaken en heeft hij een visitekaartje van zijn bedrijf aan de eigenaar overgelegd, waarop onder de naam van verdachte ‘directie’ stond vermeld. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 5 ten laste gelegde feit heeft verdachte als correspondentie e-mailadres en factuuradres de adressen van zijn bedrijf 2 opgegeven en met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft hij de gsm abonnementen telkens op naam van verschillende van zijn bedrijven afgesloten en kopieën van de uittreksels van zijn bedrijven van de Kamer van Koophandel overgelegd. Met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit is verdachte, zoals hiervoor reeds vastgesteld, als eigenaar van zijn bedrijf de arbeidsovereenkomst met aangeefster aangegaan.

Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 2 tot en met 6 en dagvaarding II ten laste gelegde feiten omtrent het uitblijven van de betalingen tal van niet nagekomen toezeggingen aan aangevers heeft gedaan, smoezen en excuses heeft verteld en uiteindelijk niet meer bereikbaar en/of traceerbaar was.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit heeft aangeefster op 21 mei 2013 met verdachte gebeld en gevraagd naar de betaling van de factuur. Verdachte deelde mee dat hij alleen nog maar de tancodes moest invoeren en de betaling dan zou zijn gedaan. Toen de betaling daarna uitbleef, heeft aangeefster drie brieven naar het bedrijf van verdachte gestuurd met het verzoek de factuur te betalen. Hierop werd niet gereageerd. Aangeefster heeft geprobeerd het bedrijf te bellen, maar zij kreeg geen gehoor meer. Verdachte heeft bevestigd dat hij aangeefster heeft gesproken en dat hij tegen haar had gezegd dat hij nog enkel de tancodes moest invoeren. Hij heeft verklaard dat het een stukje uitstel betrof. Ook heeft hij verklaard dat hij een mail van Haagclean had gekregen met het verzoek te betalen. Tijdens het verhoor op 22 november 2013 heeft verdachte verklaard dat hij voor 15 december 2013 de rekening van slachtoffer 2 wilde gaan betalen.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit heeft aangeefster op 16 april 2013 de rekening naar het bedrijf van verdachte gestuurd. Toen zij deze twee weken later terug kreeg heeft zij geprobeerd contact op te nemen met het bedrijf en met verdachte. Zij kreeg geen reactie. Op de avond van het etentje had zij ter controle het telefoonnummer dat op het visitekaartje stond gebeld in het bijzijn van verdachte. Toen klopte dat telefoonnummer wel. Verdachte heeft hierover op 23 november 2013 verklaard dat hij begrijpt dat er een rekening openstaat en dat hij die voor 20 december 2013 gaat betalen.

Met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten hebben aangevers telefonisch met verdachte gesproken. Verdachte gaf daarbij aan dat hij de rekening zou gaan betalen. Kort daarna konden zij geen telefonisch contact meer met hem krijgen.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 6 ten laste gelegde feit had verdachte weliswaar niet van te voren bewerkstelligd dat hij achteraf kon betalen, maar had hij voorafgaand aan de levering van het schoonmaaksysteem aan aangever telefonisch medegedeeld dat hij het geld van de factuur reeds had overgemaakt. Kort daarna merkte aangever dat het factuurbedrag nog niet was bijgeschreven op zijn zakelijke bankrekening. Vanaf die dag heeft hij diverse malen contact met verdachte over de betaling gehad, hetzij telefonisch hetzij middels Whatsapp. Verdachte vertelde telkens weer een ander excuus. Hij verklaarde dat hij het had overgemaakt en dat hij het zou controleren, vervolgens zei hij dan dat er iets niet goed was gegaan. Ook vertelde hij dat hij iemand had gevonden die een deel zou aanbetalen en vervolgens zou de accountant het gaan regelen. In september 2013 heeft aangever zijn zus contact met verdachte laten opnemen. Verdachte zei toe een aanbetaling van €500 te gaan doen. Dezelfde dag had verdachte slechts €50 overgemaakt. Vervolgens verzon verdachte wederom allerlei excuses over het uitblijven van de betaling.

Ook voor het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit geldt dat verdachte tal van smoezen en excuses vertelde over het uitblijven van de betaling van in dit geval het loon. De zoon van aangeefster heeft telkens via Whatsapp aan verdachte gevraagd waarom de betalingen van het loon uitbleven. Verdachte gaf dan aan dat er problemen met de bank waren of dat hij het salaris naar de verkeerde rekening had overgeboekt. Na veelvuldig aandringen door de zoon van aangeefster heeft verdachte uiteindelijk het loon van de maand juli 2013 overgemaakt. Het loon van de maand juni 2013 had aangeefster reeds van de vereniging van eigenaren, die het bedrijf van verdachte in dienst had genomen, ontvangen en de vereniging zou dat met verdachte verrekenen. Na juli 2013 heeft de zoon van aangeefster nog veelvuldig contact met verdachte gehad over het uitblijven van de betalingen. Verdachte gaf aan dat hij problemen had doordat klanten hem niet betaalden, dat hij geld zou gaan lenen en het dan zou storten en dat hij een aanvraag had gedaan bij de bank. Verdachte gaf telkens aan dat hij het zou oplossen en dat het geregeld zou worden. Ook deelde verdachte desgevraagd mee dat hij een loonstrook aan aangeefster zou geven en dat hij aan de accountant had gevraagd die loonstrook te regelen.

Bij beide aangiften (dagvaarding I onder 6 en dagvaarding II) geldt dat aangevers uiteindelijk geen telefonisch contact meer met verdachte konden krijgen.

Op grond van vorenstaande gedragingen van verdachte, te weten het patroon van het aangaan van een overeenkomst met uitgestelde betaling, het achteraf excuses en smoezen vertellen over het uitblijven van de betaling en het uiteindelijk niet meer bereikbaar zijn, gaat de rechtbank er met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 2 tot en met 6 en dagvaarding II ten laste gelegde feiten van uit dat verdachte de betalingsverplichtingen met aangevers is aangegaan zonder dat hij de intentie had die na te komen. De rechtbank betrekt hierbij ook het gegeven dat verdachte op 22 november 2013, naar aanleiding van de vraag hoe het kan dat hij vaker rekeningen niet betaalt, heeft verklaard dat hij geen geld heeft.

Dit geldt tevens voor de bij dagvaarding I onder 7 en 8 ten laste gelegde feiten. Het aangaan van in totaal 56 gsm abonnementen waarvan de rekeningen niet konden worden geïncasseerd valt naar het oordeel van de rechtbank tevens binnen dit patroon. Derhalve had verdachte telkens bij het aangaan van de koop- en dienstverleningsovereenkomsten het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich telkens opzettelijk in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide en kredietwaardige ondernemer dan wel als goed en betrouwbaar werkgever, die zijn verplichtingen wel zou en wilde nakomen.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 6 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw ter terechtzitting bepleit dat verdachte aan haar heeft medegedeeld dat het niet juist is dat hij voorafgaand aan de levering van het schoonmaaksysteem aangever had medegedeeld dat hij de factuur reeds had betaald. Mede bezien in het licht van het vervolg op het uitblijven van de betaling en het patroon in het handelen van verdachte, ziet de rechtbank echter geen aanleiding aan de verklaring van aangever op dit punt te twijfelen.

Bijkomende omstandigheden

Het is vaste jurisprudentie dat het enkele zich voordoen als bonafide ondernemer/werkgever niet zonder meer het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Sr oplevert. Er dient zich een bijkomende omstandigheid te hebben voorgedaan waaruit die valse hoedanigheid volgt.

Met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft verdachte als factuuradres van bedrijf 1 de adres te Den Hoorn opgegeven. Het bedrijf van verdachte bleek aldaar echter niet te zijn gevestigd. Aangeefster slachtoffer 3 kreeg naar aanleiding van de door haar gestuurde betalingsherinneringen een e-mailbericht waaruit dit bleek en aangeefster slachtoffer 5 ontving de rekening retour, waarbij op de envelop stond geschreven ‘persoon onbekend’. Daarnaast had verdachte op de avond van het eten in het restaurant van slachtoffer 5 , zoals reeds hiervoor overwogen, een telefoonnummer opgegeven die op dat moment wel bereikbaar was, maar kort daarna niet meer. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 5 ten laste gelegde feit heeft verdachte een factuuradres opgegeven waar de factuur niet kon worden bezorgd en met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 6 ten laste gelegde feit had verdachte, zoals reeds hiervoor overwogen, voorafgaand aan de levering van het schoonmaaksysteem aangever medegedeeld dat hij de factuur reeds had betaald terwijl dit niet zo bleek te zijn. Voorts heeft verdachte met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 7 en 8 ten laste gelegde feiten, telkens bankrekeningnummers voor automatische incasso opgegeven, waarna, met uitzondering van één keer, niet bleek te kunnen worden geïncasseerd.

Deze omstandigheden (leugens en onwaarheden) in combinatie met het zich in strijd met de waarheid voordoen als bonafide en kredietwaardige ondernemer leveren naar het oordeel van de rechtbank telkens het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht op.

Voorts kan tevens sprake zijn van een valse hoedanigheid indien naast het zich voordoen als een bonafide ondernemer/werkgever tevens misbruik wordt gemaakt van een in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon (zie o.a. de conclusie van mr. Vegter bij HR 13 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX0806). Van belang is het verwachtingspatroon dat wordt gevormd door de algemeen aanvaarde gebruiken in de betreffende branche of sector in het maatschappelijk verkeer.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank misbruik gemaakt van het in het maatschappelijke verkeer geldende verwachtingspatroon dat iemand die in een restaurant eet en drinkt, nadien ook de rekeningen betaalt. Met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank misbruik gemaakt van het in het maatschappelijk verkeer geldende verwachtingspatroon dat een werkgever aan het eind van de loonperiode ook daadwerkelijk het loon heeft uitbetaald.

Ook hier geldt derhalve dat de gedragingen van verdachte meer omvatten dan het enkel zich voordoen als bonafide ondernemer/werkgever en levert ook dit het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht op.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling door het aannemen van een valse hoedanigheid de aangevers telkens heeft bewogen tot afgifte van goederen of tot het verlenen van diensten en dat hij derhalve de bij dagvaarding I onder 2 tot en met 8 en dagvaarding II ten laste gelegde oplichtingen heeft begaan.

Met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit merkt de rechtbank op dat dit feit cumulatief/alternatief is ten laste gelegd. Onder het eerste cumulatief/alternatief is ten laste gelegd dat verdachte de oplichting heeft begaan en onder het tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd dat het bedrijf van verdachte de oplichting heeft begaan en dat verdachte daartoe als feitelijk leidinggevende opdracht heeft gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. De rechtbank acht in dit geval het eerste cumulatief/alternatief het meest passend en zal daarom verdachte van het tweede cumulatief/alternatief vrij spreken.

Bewezenverklaring

Oplichting, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF