Motorfiets inbeslaggenomen onder belanghebbende, die vervolgens niet is opgeroepen voor de behandeling van de vordering van de OvJ tot o.a.h.v. in raadkamer leidt tot nietigheid van het onderzoek

Hoge Raad 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2461

De Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 16 april 2015, op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in de artt. 36b Sr en 552f Sv, de onttrekking aan het verkeer gelast van een onder de betrokkene inbeslaggenomen motorfiets.

Middel

Het middel klaagt dat de belanghebbende in strijd met art. 23 Sv niet is opgeroepen voor de behandeling van de vordering van de Officier van Justitie tot onttrekking aan het verkeer in raadkamer op 16 april 2015.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de bestreden beschikking is het goed waarop de in het middel bedoelde vordering van de Officier van Justitie betrekking heeft - en waarvan de Rechtbank de onttrekking aan het verkeer heeft gelast - onder de belanghebbende in beslag genomen. De belanghebbende is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet bij het onderzoek in raadkamer verschenen.

Art. 23, tweede lid, Sv brengt mee, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende voor de raadkamerbehandeling had moeten worden opgeroepen. Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 447, tweede lid, Sv toegezonden stukken kan niet van zo een oproeping blijken, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Dit verzuim heeft betrekking op een wezenlijke grondslag van de raadkamerprocedure, zodat het nietigheid van het onderzoek meebrengt, ook al is deze niet met zoveel woorden in de wet bedreigd.

Het middel is gegrond.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF