Mogelijkheid instellen van beroep in cassatie door benadeelde partij?

Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1277

Namens de benadeelde partij (slachtoffer) is beroep in cassatie ingesteld.

In de strafzaak tegen de verdachte heeft het gerechtshof Den Haag, bij arrest van 10 mei 2016, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2015, waarbij, behalve een veroordeling van de verdachte tot onder meer een gevangenisstraf en de tbs-maatregel, een beslissing is gegeven ten aanzien van de vordering van benadeelde partij, als benadeelde partij. Deze vordering, ten bedrage van in totaal € 2330,20 is toegewezen tot een bedrag van € 1000, vermeerderd met de wettelijke rente.

In de strafzaak tegen de verdachte is noch door de verdachte, noch door het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld. 
 

Beoordeling Hoge Raad: ontvankelijkheid van het beroep

Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (vgl. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7011, NJ 2003/557). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten.

Bij de vraag of en zo ja, in welke omvang door een benadeelde partij beroep in cassatie zou moeten kunnen worden ingesteld, zijn verschillende keuzes denkbaar waarbij uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard betrokken zijn, en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel van rechtsmiddelen kunnen worden gesteld. Gelet daarop valt het openstellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad en moet dit aan de wetgever worden overgelaten. Overigens heeft de minister een voorstel tot wetswijziging aangekondigd dat ten behoeve van het slachtoffer dat zich als de benadeelde partij heeft gevoegd, beoogt te voorzien in "de mogelijkheid zelfstandig hoger beroep in te stellen tegen beslissingen over zijn vordering bij de strafkamer van het hof dan wel (indien het hof al over de vordering heeft beslist) cassatie in te stellen bij de strafkamer van de Hoge Raad" (Kamerstukken II 2016/17, 34 236, F, p. 6).

Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, kan de benadeelde partij ook niet aan het EVRM of het Unierecht het recht ontlenen cassatieberoep in te stellen indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Daartoe is het navolgende van belang.

De schriftuur strekt allereerst ten betoge dat art. 14 EVRM en art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, waarin - kort gezegd - discriminatieverboden zijn vastgelegd, nopen tot een zodanige uitleg en toepassing van art. 427, eerste lid, Sv, dat de benadeelde partij het recht toekomt cassatieberoep in te stellen ook indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Daartoe wordt aangevoerd dat, waar het gaat om de toegang tot de cassatierechter, het ontbreken van zo een recht leidt tot ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van de benadeelde partij ten opzichte van de verdachte.

Het beroep op genoemde verdragsbepalingen kan niet slagen, reeds in aanmerking genomen dat het slachtoffer zich niet alleen als benadeelde partij kan voegen in een strafprocedure, maar tevens de mogelijkheid heeft om in een civiele procedure - en derhalve overeenkomstig de bepalingen van burgerlijk procesrecht, met inbegrip van de daarbij geldende regeling van de rechtsmiddelen - schadevergoeding te vorderen.

Voorts wordt in de schriftuur een beroep gedaan op de rechtstreekse werking van art. 16 Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU L 315/57). Deze bepaling luidt als volgt:

"1. De lidstaten waarborgen het slachtoffer het recht om in de loop van de strafprocedure binnen een redelijke termijn een beslissing inzake schadevergoeding door de dader te verkrijgen, tenzij in het nationale recht is bepaald dat deze beslissing in een andere gerechtelijke procedure moet worden genomen.

2. De lidstaten bevorderen maatregelen om de dader ertoe te bewegen de schade op passende wijze aan het slachtoffer te vergoeden."

De omzettingstermijn van Richtlijn 2012/29/EU is verstreken op 16 november 2015 (art. 27, eerste lid).

Art. 16 Richtlijn 2012/29/EU houdt niets in omtrent de rechtsmiddelen die het slachtoffer dat zich als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, kan instellen tegen de beslissing inzake schadevergoeding door de dader. Dit voorschrift betreft dan ook niet een zodanige onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig geformuleerde bepaling dat de benadeelde partij daaraan het recht kan ontlenen cassatieberoep in te stellen ook indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Het beroep dat in de schriftuur wordt gedaan op de rechtstreekse werking van art. 16 Richtlijn 2012/29/EU, faalt dan ook.

De schriftuur bevat het (voorwaardelijke) verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Gelet op hetgeen onder 3.5 is overwogen, bestaat geen aanleiding tot het stellen van vragen van uitleg.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF