Middel doet een beroep op rechtspraak van de HR over i.h.b. de kwalificeerbaarheid als witwassen van “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen

Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1069

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens

  • Feit 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief: de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
  • Feit 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief: de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
  • Feit 3: de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
  • Feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
  • Feit 6 eerste en tweede cumulatief/alternatief: diefstal door twee of meer verenigde personen, en diefstal 
  • Feit 7: witwassen
     

Middel

Het middel klaagt dat het hof geen (gemotiveerde) beslissing heeft genomen op een uitdrukkelijk voorgedragen (kwalificatie)verweer.
 

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven of voorhanden hebben" van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het "verwerven of voorhanden hebben" als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr.

De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte van het geldbedrag "gebruik heeft gemaakt" en dat heeft "omgezet" als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "voorhanden hebben" van het geldbedrag, zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij deze klacht (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80).

Het middel is tevergeefs voorgesteld.
 

Conclusie AG

8. Hetgeen ter verdediging is aangevoerd is bezwaarlijk anders te verstaan dan als een beroep op niet strafbaarheid van het feit omdat de in het kader van witwassen door de Hoge Raad1 geïntroduceerde zogenaamde kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Het verweer dat een bewezen verklaard feit niet kan worden gekwalificeerd is een verweer als bedoeld in het ook in hoger beroep toepasselijke art. 358, derde lid, Sv in verbinding met art. 359, tweede lid, Sv en mitsdien is het hof gehouden op een dergelijk verweer uitdrukkelijk gemotiveerd te beslissen. Een dergelijke gemotiveerde beslissing heb ik in het arrest van het hof niet aangetroffen, zodat het middel op het eerste gezicht lijkt te slagen.

9. Ik heb mij afgevraagd of het ontbreken van een met zoveel woorden op het verweer toegesneden reactie van het hof tot cassatie moet leiden. Ligt de beslissing op het verweer niet toereikend besloten in het arrest van het hof? De kwalificatie-uitsluitingsgrond strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte dubbel wordt gestraft. De vraag is daarmee of het arrest van het hof niet zonder meer uitsluit dat het witgewassen geld is gegenereerd door één van de bewezen verklaarde feiten. Het hof heeft weliswaar in een van de rechtbank overgenomen overweging de criminele herkomst van het witgewassen geld mede gestoeld op de omstandigheid dat de verdachte sinds 2009 in de hennephandel zit, maar dit betekent nog niet zonder meer dat het geld afkomstig is uit één van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank ging uitdrukkelijk op die vraag in en overwoog onder het kopje ‘de strafbaarheid van het bewezenverklaarde’:

“Ten aanzien van feit 7 overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat het geldbedrag van € 24.406 met de bewezenverklaarde feiten 1, 2, 4, en 6 is verworven (omdat de betreffende kwekerijen vóór de eerste oogst zijn opgerold). Ten aanzien van het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van € 3.525 overweegt de rechtbank dat verdachte heeft aangevoerd dat dit bedrag niet is verworden met het bewezenverklaarde feit 3. Het gegeven dat niet vast staat dat verdachte de herkomst van de gelden heeft verhuld staat onder deze omstandigheden niet in de weg aan de kwalificatie van dit feit als witwassen.”

10. De door het hof bewezen verklaarde feiten zijn enigszins huiselijk geformuleerd de volgende: 1. Medeplegen telen en voorhanden hebben van 1219 hennepplanten in 2012; 2. Telen en voorhanden hebben van 317 hennepplanten in 2009; 3. Buiten het grondgebied van Nederland brengen en voorhanden hebben van 840 hennepstekken op 30 november 2011; 4. Voorhanden hebben van 797 en/of 1088 henneptoppen in 2012; 6. (Mede)plegen van diefstal van elektriciteit in 2012 en 2009. De feiten 1, 4 en 6 eerste cumulatief/alternatief zijn na de in feit 7 bewezen verklaarde periode gepleegd en daarom kan reeds geen sprake zijn van witwassen van de opbrengst uit die feiten. Omdat het witwassen van geld onmiddellijk afkomstig uit diefstal van elektriciteit onbestaanbaar is, valt feit 6 tweede cumulatief/alternatief eveneens af. Dan resteert de vraag of het witwassen de opbrengst van feit 2 of 3 betreft.

11. Het telen in feit 2 betreft de periode van 1 maart 2009 tot en met 5 april 2009. Het bewezen verklaarde voorhanden hebben is gedateerd 5 april 2009. In de door het hof bevestigde bewijsconstructie van de rechtbank (p. 8 van het vonnis) valt te lezen: “In de woning bevonden zich twee kamers waarin zich 185 en 132 hennepplanten bevonden, die vermoedelijk vier weken oud waren.” Van enige opbrengst uit het bewezen verklaarde feit 2 kan daarmee geen sprake zijn geweest. Dan nog het derde feit. Daarbij verdient opmerking dat uit de door het hof bevestigde bewijsconstructie van de rechtbank (p. 5 van het vonnis) naar voren komt dat de op 30 november 2011 gealarmeerde politie Genk (België) niet alleen de 840 stekken ontdekt in een woning, maar tevens bij de fouillering van verdachte € 3.525,- aantreft. Dat bedrag heeft de rechtbank opgenomen in de bewezenverklaring: “(…) geldbedragen te weten (…) – in totaal EUR 3525,- (te weten onverklaarbaar vermogen betreffende contant geld bij verdachte aangetroffen d.d. 30 november 2011 te Genk), (…).” In de bewezenverklaring van het hof is dit bedrag echter niet opgenomen. Het door het hof bewezenverklaarde witwassen ziet daarmee dus niet op de (eventuele) opbrengst van het derde bewezen verklaarde feit.

12. Uit de bewijsconstructie van het hof blijkt hiermee dus zonder meer dat het witwassen niet de opbrengst van de overige bewezen verklaarde feiten betreft. De vrijspraak van het bedrag van € 3.525, - is kennelijk de reactie van het hof op het verweer van de verdediging inzake het witwassen van de uit eigen misdrijf afkomstige opbrengst. Zo bezien is het verweer dus niet genegeerd, maar heeft het doel getroffen.

13. Dan resteert de vraag of er in het kader van het verweer inzake witwassen diende te worden beslist over mogelijke andere eigen strafbare feiten dan de bewezen verklaarde. Het komt mij voor dat het te ver gaat het hof tegen te werpen dat geen aandacht is besteed aan de opbrengst uit andere, niet bewezen verklaarde, eigen misdrijven van de verdachte. Namens de verdachte is niet, althans onvoldoende, gesteld dat hij naast de bewezen verklaarde feiten zich anderszins schuldig heeft gemaakt aan hennephandel en dat daaruit opbrengsten zijn verkregen. Het hof kon daaraan dus zonder enige motivering voorbij gaan. Overigens is nadere motivering hier en in soortgelijke gevallen ook niet goed mogelijk als die misdrijven niet (enigszins) nader worden geconcretiseerd. Dat de lat daarbij op enige hoogte wordt gehouden lijkt mij voor de hand te liggen. 2

14. Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF