Merkwaardig onderonsje tussen RC en OvJ is geen reden tot wraking

Rechtbank Overijssel 22 januari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:266

Voorafgaand aan getuigenverhoren op 7 januari 2014 waren de officier van justitie en advocaat mr. Monster aan het wachten in de koffiekamer bij het kabinet rechter-commissaris. De rechter-commissaris is deze koffiekamer binnengekomen en heeft de officier van justitie gevraagd even met haar mee te komen voor overleg. Vervolgens hebben de officier van justitie en de rechter-commissaris samen de koffiekamer verlaten en hebben zij overleg gevoerd in de kamer van de rechter-commissaris. Na ongeveer vijf minuten is de officier van justitie teruggekomen en heeft zij aan advocaat mr. Monster gemeld dat de rechter-commissaris haar had gevraagd of zij nog van plan was de tenlastelegging te wijzigen en dat zij daarop heeft geantwoord dit inderdaad te zullen gaan doen. De rechter-commissaris heeft hiermee volgens verzoekers de schijn opgewekt van oordeel te zijn dat verzoekers schuldig zijn en gestraft dienen te worden. Zij heeft de schijn opgewekt dat zij met de officier van justitie haar zorg heeft gedeeld dat verzoekers niet of niet voldoende zouden worden gestraft aan de hand van de toen voorliggende concept-tenlastelegging.

Verzoekers voeren voorts aan dat voor zover het gesprek tussen de rechter-commissaris en de officier van justitie niet reeds een op zichzelf staande grond voor wraking oplevert, de schijn van partijdigheid in elk geval is opgewekt door hetgeen er voor en na dit gesprek is voorgevallen. Voor en na dit gesprek is kort gezegd het volgende voorgevallen, aldus verzoekers:

  1. Op het verzoek van 8 augustus 2013 om getuigen te horen is telefonisch door de rechter-commissaris richting de raadsvrouw als volgt gereageerd “het lijkt erop dat jullie iedereen maar hebben opgeroepen, uit onvrede omdat er maar niks gebeurt. Zo van, nou dan roep ik gewoon iedereen maar op” .
  2. Op 15 oktober 2013 heeft de rechter-commissaris een aantal verzoeken om getuigen te horen afgewezen, waar zij niet-onderbouwde verzoeken van de officier van justitie heeft toegewezen.
  3. De rechter-commissaris heeft voorafgaand aan de getuigenverhoren op 7 januari 2014 gezegd “ik denk niet dat we om 9.30 uur kunnen beginnen omdat de raadsvrouw op het laatste moment nog allemaal stukken heeft opgestuurd”. Op 6 januari 2014 om 18.15 uur heeft de officier van justitie ook stukken toegevoegd aan het dossier. Het is daarentegen kennelijk geen probleem als de officier van justitie kort voorafgaand aan een verhoor stukken toevoegt maar wel als de verdediging dat doet.
  4. Tijdens het verhoor op 7 januari 2014 van getuige 1 heeft de
  5. rechter-commissaris toegestaan dat de officier van justitie met het oog op de door de officier van justitie voorgenomen wijziging van de tenlastelegging een aantal aanvullende documenten heeft voorgehouden aan getuige 1.
  6. Tijdens het verhoor op 7 januari 2014 van getuige 1 heeft de rechter-commissaris vragen van de verdediging die niet rechtstreeks betrekking hebben op de tenlastegelegde documenten geweigerd.
  7. De rechter-commissaris heeft tijdens het verhoor van de eerste getuige een vraag over de Inspectie voor de Volksgezondheid belet, met als argument dat de vraag niet relevant was voor de strafzaak. De rechter-commissaris heeft daarbij gezegd “Het is allemaal heel verschrikkelijk als mensen geen of onvoldoende zorg krijgen, maar dat feit is niet aan uw cliënten tenlastegelegd, dus niet relevant voor deze strafzaak”. Hiermee heeft de rechter-commissaris zich uitgelaten over de schuldvraag.

Mr. K.J.C. Geeve heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd.

Beoordeling Rechtbank

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

Het telefoongesprek van omstreeks 8 augustus 2013 en de beslissing van 15 oktober 2013 om een aantal getuigen niet te horen

Volgens artikel 513 lid 1 Sv moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. De rechtbank constateert dat een aantal aangevoerde feiten en omstandigheden voor de wraking verzoekers reeds langere tijd bekend was. Zo wordt een telefoongesprek tussen de rechter-commissaris en mr. Monster aangevoerd dat heeft plaatsgevonden omstreeks 8 augustus 2013. Ook wordt aangevoerd dat de rechter-commissaris op 15 oktober 2013 een aantal verzoeken om getuigen te horen heeft afgewezen. Verzoekers hebben echter pas op 7 januari 2014 een wrakingsverzoek ingediend. Voor zover verzoekers deze gronden als zelfstandige wrakingsgronden hebben aangevoerd oordeelt de wrakingskamer dat het wrakingsverzoek niet tijdig is gedaan. De verzoekers worden voor wat dat betreft niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van deze gronden als zelfstandige wrakingsgronden komt de rechtbank daarom niet toe.

Overleg tussen rechter-commissaris en officier van justitie

Verzoekers voeren aan dat het gesprek dat de rechter-commissaris voorafgaand aan het getuigenverhoor op 7 januari 2014 met de officier van justitie heeft gehad reeds een opzichzelfstaande grond voor wraking oplevert. De wrakingskamer overweegt dat het enkele feit dat de rechter-commissaris en de officier van justitie voorafgaand aan het getuigenverhoor op 7 januari 2014 een kort overleg hebben gehad niet reeds een grond voor wraking oplevert. Van belang voor het oordeel over de vraag of dit gesprek een grond voor wraking oplevert is wat er tijdens dit gesprek besproken is en of de verdediging hierover is geïnformeerd. Over de inhoud van dit gesprek brengt de rechter-commissaris het volgende naar voren: “Het is juist dat ik voorafgaand aan de verhoren op 7 januari 2014 kort met de officier heb gesproken. Ik heb haar, ten behoeve van het aanstaande verhoor, gevraagd of ik er vanuit kon gaan dat de concept-tenlastelegging, de definitieve tenlastelegging was. De officier heeft mij dat bevestigd, met dien verstande dat zij nog een kleine ondergeschikte wijziging wilde doen. Ik heb haar toen gevraagd om die wijziging al bij het verhoor aan de raadsvrouw mede te delen en de stukken die betrekking zouden kunnen hebben op die wijziging dan ook bij het verhoor al aan de getuige voor te leggen, zodat wij de getuige niet nogmaals zouden moeten horen, naar aanleiding van deze wijziging. De officier heeft mij niet medegedeeld wat de inhoud van de wijziging was.”

De officier van justitie heeft van dit gesprek een proces-verbaal van ambtshandelingen opgemaakt. In dat proces verbaal is onder andere het volgende opgenomen:

“Omstreeks 9.25 bevond ik, officier van justitie, mij tezamen met advocaat mr. Monster in de koffieruimte van voornoemd kabinet (het kabinet rechter-commissaris strafzaken van de rechtbank Almelo), dit in verband met getuigenverhoren (getuige 1, getuige 2 en getuige 3) die om 9.30 zouden aanvangen. Aldaar vervoegde zich mr. K.J.C. Geeve, rechter-commissaris strafzaken. Zij verzocht mij mee te lopen naar haar kamer. Aldaar aangekomen vroeg zij mij, officier van justitie, o.a. of de tenlastelegging zoals in concept overgedragen aan de rechter-commissaris en de verdediging nog gewijzigd zou worden en/of dat dit de definitieve tenlastelegging was. Dit om te voorkomen dat het beperken van het onderzoek tot deze tenlastelegging ten gevolge zou hebben dat getuigen nogmaals gehoord zouden moeten worden, op het moment dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging wijzigt. Ik heb de rechter-commissaris medegedeeld dat naar het nu lijkt dit de definitieve tenlastelegging is. Hierbij heb ik, officier van justitie, direct de kanttekening geplaatst dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging wellicht nog wil wijzigen voor wat betreft één punt (m.b.t. getuige 2). Ik heb medegedeeld dat ik dit tijdens de verhoren zou toelichten c.q. zou benoemen.”

Tijdens de wrakingszitting heeft de officier van justitie nogmaals naar voren gebracht dat in het gesprek met de rechter-commissaris voorafgaande aan het horen van de getuigen op 7 januari 2014 niet inhoudelijk is gesproken over de tenlastelegging dan wel het onderzoek.

De wrakingskamer heeft geen reden om te twijfelen aan hetgeen door zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie over de inhoud van dit gesprek naar voren is gebracht. De wrakingskamer zal er dan ook vanuit gaan dat er in het gesprek dat de rechter-commissaris met de officier van justitie heeft gevoerd voorafgaand aan het getuigenverhoor op 7 januari 2014 alleen de vraag is gesteld of de tenlastelegging nog gewijzigd zou worden. Ook wordt er vanuit gegaan dat deze vraag slechts is gesteld om te voorkomen dat het beperken van het onderzoek tot de tenlastelegging ten gevolge zou hebben dat getuigen nogmaals gehoord zouden moeten worden, op het moment dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging wijzigt. Inhoudelijk is er niet over de zaak en de tenlastelegging gesproken. Daar voegt de wrakingskamer aan toe dat van belang is dat het gesprek maar ongeveer vijf minuten heeft geduurd en dat de officier van justitie direct na dit gesprek de inhoud van het gesprek heeft medegedeeld aan mr. Monster. Het ware zorgvuldiger geweest als de rechter-commissaris dit gesprek met de officier van justitie in het bijzijn van mr. Monster zou hebben gehouden of direct na het gesprek met de officier van justitie mr. Monster zelf op de hoogte had gesteld van de inhoud van het gesprek tussen haar en de officier van justitie. Dat deze zorgvuldigheid niet in acht is genomen brengt echter naar het oordeel van de wrakingskamer niet met zich dat er sprake is van een grond voor wraking.

De wrakingskamer komt dan ook tot het oordeel dat het gesprek dat de rechter-commissaris met de officier van justitie op 7 januari 2014 voorafgaand aan de getuigenverhoren heeft gehouden geen uitzonderlijke omstandigheid oplevert die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter-commissaris jegens verzoekers enige vooringenomenheid koestert. Ook leidt dit gevoerde gesprek niet tot het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees voor vooringenomenheid van de rechter-commissaris objectief gerechtvaardigd is.

Toevoegen stukken op 6 en 7 januari 2014

Verzoekers hebben voorts het volgende aangevoerd. Op 7 januari 2014 voorafgaand aan het getuigenverhoor hebben zij een aantal documenten naar de rechter-commissaris en de officier van justitie gestuurd. De officier van justitie heeft op 6 januari 2014 twee stukken aan het dossier toegevoegd. De rechter-commissaris heeft op 7 januari 2014 voorafgaand aan de getuigenverhoren gezegd “Ik denk niet dat we om 9:30 uur kunnen beginnen omdat de raadsvrouw op het laatste moment nog allemaal stukken heeft opgestuurd”. Verzoekers verbinden hieraan de conclusie dat het kennelijk geen probleem is als de officier van justitie kort voorafgaand aan een getuigenverhoor stukken toevoegt, maar dat het wel een probleem is als de verdediging dat doet.

De wrakingskamer oordeelt hierover als volgt. Met de opmerking van de rechter-commissaris heeft zij, zo blijkt ook uit haar schriftelijke reactie, naar het oordeel van de wrakingskamer slechts willen aangegeven nog even tijd nodig te hebben om de stukken van de verzoekers die op de dag van de getuigenverhoren voorafgaand aan die verhoren zijn ingediend te lezen. Hier blijkt geenszins vooringenomenheid van de rechter-commissaris uit noch een geobjectiveerde vrees daarvoor.

Het toestaan aan de officier van justitie om stukken die niet in de tenlastelegging voorkomen voor te houden aan getuige 1

Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker aan de door hem aangevoerde gronden nog het volgende toegevoegd. Tijdens het verhoor van getuige 1 heeft de officier van justitie de rechter-commissaris verzocht toe te staan een aantal niet tenlastegelegde documenten voor te houden. De officier van justitie zou dat volgens verzoekers als volgt hebben toegelicht: “mevrouw de rechter-commissaris, ik wil de getuige graag nog een aantal aanvullende documenten voorhouden met het oog op de door mij voorgenomen wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van getuige 2. Aangezien ik nog niet precies weet hoe ik de tenlastelegging zal wijzigen, wil ik graag een aantal verschillende documenten van getuige 2 voorhouden aan de getuige.”. Volgens verzoekers is het logisch dat de rechter-commissaris dit toestaat omdat, zo menen verzoekers, de rechter-commissaris in het gesprek voorafgaand aan het verhoor de officier van justitie de suggestie aan de hand heeft gedaan om de tenlastelegging te wijzigen, althans die schijn is gewekt.

De wrakingskamer oordeelt hierover als volgt. Volgens artikel 513 lid 3 Sv moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Uit die bepaling in samenhang met lid 4 volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden die aan de verzoeker pas nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan, bekend zijn geworden, nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. Niet gesteld of gebleken is dat de bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aangevoerde feiten en omstandigheden pas na het wrakingsverzoek aan verzoekers bekend zijn geworden. Met deze grond kan daarom geen rekening worden gehouden.

Het weigeren van vragen van de verzoekers aan getuige 1

Verzoekers hebben aangevoerd dat vragen die zij aan getuige 1 wilden stellen werden geweigerd door de rechter-commissaris. Het argument van de rechter-commissaris om deze vragen te weigeren was dat deze vragen niet zien op de tenlastelegging of reeds voldoende zijn behandeld.

De rechter-commissaris heeft hierover aangevoerd dat het klopt dat zij mr. Monster af en toe heeft beperkt in haar vragen. De rechter-commissaris heeft dat gedaan als zij van oordeel was dat de betreffende vragen al voldoende waren besproken, ofwel voor de strafzaak niet relevant zijn. Tijdens het verhoor is met mr. Monster afgesproken dat de vragen die niet gesteld mochten worden aan het proces-verbaal gehecht zouden worden. Op deze wijze zouden verzoekers hierover bij de meervoudige kamer kunnen klagen.

De wrakingskamer overweegt als volgt. De klacht van verzoeker is gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris om bepaalde vragen aan getuige 1 te weigeren. Hieruit volgt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat de rechter-commissaris bij het geven van deze beslissing vooringenomen was jegens verzoekers of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond. Het is immers aan de rechter-commissaris om het getuigenverhoor in juiste banen te leiden. Daarbij hoort dat zij een afweging maakt over het toestaan van vragen die gesteld worden. Bovendien volgt naar het oordeel van de wrakingskamer uit het proces-verbaal van de reeds afgenomen verhoren, dat door de rechter-commissaris bij haar verweerschrift is gevoegd, dat namens verzoekers wel degelijk ook vragen zijn gesteld die geen betrekking hebben op de tenlastelegging zelf, maar van belang konden zijn voor de strafmaat en de kleuring van de zaak. De vragen die niet door de rechter-commissaris werden toegestaan werden aan het proces-verbaal gehecht, zodat verzoekers dit desgewenst bij de meervoudige kamer aan de orde kunnen stellen.

De rechter-commissaris legt de getuige belastende woorden in de mond

Bij de mondelinge behandeling heeft verzoeker aan de door hem aangevoerde gronden nog het volgende toegevoegd. De rechter-commissaris legt de getuige 1 belastende woorden in de mond en neemt dat op in het dictaat. Dit wordt pas na interventie van de verdediging aangepast.

De wrakingskamer oordeelt hierover als volgt. Volgens artikel 513 lid 3 Sv moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Uit die bepaling in samenhang met lid 4 volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden die aan de verzoeker pas nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan, bekend zijn geworden, nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. Niet gesteld of gebleken is dat de bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aangevoerde feiten en omstandigheden pas na het wrakingsverzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. Met deze gronden kan daarom geen rekening worden gehouden.

De rechter-commissaris weigert vragen over de Inspectie en laat zich vooringenomen uit over het dossier

Verzoekers hebben aangevoerd dat de rechter-commissaris vragen over de Inspectie heeft geweigerd en zich in dat kader vooringenomen uit heeft gelaten over het dossier. Deze vooringenomenheid blijkt volgens verzoekers uit de volgende opmerking van de rechter-commissaris “het is allemaal heel verschrikkelijk als mensen geen of onvoldoende zorg krijgen, maar dat feit is niet aan uw cliënten tenlastegelegd, dus niet relevant voor deze strafzaak”. Verder blijkt de vooringenomenheid volgens verzoekers uit het antwoord van de rechter-commissaris op de vraag van mr. Monster naar de betekenis van “allemaal heel verschrikkelijk”. Op deze vraag zou de rechter-commissaris als volgt gereageerd hebben “nou wat er allemaal is opgeschreven over dat cliënten niet de zorg krijgen die ze zouden moeten hebben enzo, van die schrijnende gevallen.

De rechter-commissaris heeft erkend dat zij een vraag over een gesprek van de getuige met een medewerker van de Inspectie voor de Volksgezondheid heeft belet, met een motivering zoals door de raadsvrouw in haar wrakingsverzoek is vermeld. Op de vraag van de raadsvrouw naar de betekenis van deze opmerking heeft de rechter-commissaris naar haar zeggen geantwoord dat de uit het dossier blijkende feiten over gebrek aan juiste zorg aan mensen, voor zover die kloppen, heel akelig zijn, maar dat zij daarbij niet te lang wil stilstaan, omdat die feiten aan de verdachten niet worden verweten. Het verwijt in de tenlastelegging is valsheid in geschrift en witwassen.

De wrakingskamer oordeelt dat wat de precieze bewoordingen van de rechter-commissaris over het rapport van de Inspectie ook zijn geweest, niet ingezien kan worden dat de rechter-commissaris daarmee de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

Samengevat oordeelt de wrakingskamer als volgt. Voor zover verzoekers het telefoongesprek omstreeks 8 augustus 2013 en de beslissing van 15 oktober 2013 om een aantal getuigen niet te horen als zelfstandige wrakingsgronden hebben aangevoerd worden verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.

Het overleg dat heeft plaatsgevonden op 7 januari 2014 voorafgaand aan de getuigenverhoren levert geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid op, ook niet indien deze in onderlinge samenhang met de andere door verzoekers naar voren gebrachte punten wordt bezien.

Beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van

mr. K.J.C. Geeve, voor zover dit verzoek is gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich op 8 augustus en 15 oktober 2013 hebben voorgedaan en wijst het verzoek tot wraking van mr. K.J.C. Geeve voor het overige af.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF