Medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden

Rechtbank Amsterdam 1 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7269

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij samen met anderen persoon 1, die als getuige door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, in een andere strafzaak, bekend onder de aanduiding X, zou worden gehoord, heeft belemmerd in zijn verklaringsvrijheid. Belangrijkste bewijsmiddelen daarvoor zijn door persoon 1 afgelegde getuigenverklaringen onder meer over zijn bezoek in de avond/nacht van 17 op 18 januari 2012 aan het kantoor van verdachte, die toen de raadsman van medeverdachte persoon 2 was in die andere strafzaak.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben overeenkomstig het overgelegde schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij hebben geconcludeerd dat op grond van het dossier is komen vast te staan dat juist is wat persoon 1 heeft verklaard en dat de bespreking op het kantoor van verdachte in de nacht van 17 op 18 januari 2012 ertoe diende om persoon 1 in te prenten wat hij bij de rechter-commissaris moest gaan verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities vrijspraak bepleit en het volgende kort samengevat aangevoerd.

Het is juist dat persoon 1 in de genoemde avond/nacht op verdachtes kantoor is verschenen, samen met medeverdachten persoon 2 en persoon 8, en dat toen is gesproken over het getuigenverhoor waarvoor persoon 1 bij de rechter-commissaris was uitgenodigd. Van enige beïnvloeding van persoon 1 is echter geen sprake geweest.

Persoon 2 heeft persoon 1 niet gedicteerd wat hij moest verklaren zoals omschreven in de tenlastelegging en verdachte heeft evenmin persoon 1 iets gedicteerd. Verdachte heeft ook geen drie A4’tjes met teksten opgesteld en persoon 1 gezegd dat hij zo moest verklaren. Ook persoon 2 heeft dit niet gedaan. Er zijn persoon 1 geen aantekeningen gedicteerd. Er is geen kopie gemaakt die avond, ook niet van het paspoort van persoon 4. Er zijn die avond geen kopieën verstrekt van de verklaringen van persoon 4. Er is geen rollenspel gespeeld, niet eenmaal, niet meermalen. Verdachte is niets bekend over het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag. persoon 2 heeft persoon 1 op het advocatenkantoor niet onder druk gezet of bedreigd in woord of gebaar, althans niet in aanwezigheid van verdachte. persoon 2 heeft niet met stemverheffing gesproken en/of geschreeuwd. Noch heeft hij zijn vuisten geheven of een ‘pistoolgebaar’ gemaakt. Althans, niet in aanwezigheid van verdachte en het verheffen van de stem of schreeuwen zou verdachte gehoord moeten hebben wanneer hij zich in het keukentje of op het toilet bevond, als dat zou zijn gebeurd. Verdachte heeft persoon 1 evenmin onder druk gezet. De sfeer was gemoedelijk en die gemoedelijkheid sluit de beweerde bedreigingen/agressie door persoon 2 jegens persoon 1 buiten aanwezigheid van verdachte vrijwel zeker uit, omdat het gewoon niet bij elkaar past. Er is geen dossier X of dossier van persoon 2/X op tafel geweest en dus is er ook niet in gebladerd. Er bevond(en) zich geen kast(en) in de wachtruimte en dus is het dossier daar ook niet uit gepakt. Noch is het mogelijk dat persoon 2 ongevraagd dossiers inkeek. De zonwering is naar beneden gedaan door verdachte voor de privacy van zijn cliënt en de overige bezoekers. Het gesprek heeft geen 4¾ uur geduurd, maar 1¾ tot 2 uur.

De raadsvrouw heeft het volgende geconcludeerd. persoon 1 heeft een karikatuur van verdachte geschetst. Als maar een fractie waar zou zijn wat persoon 1 heeft verklaard, was de bespreking binnen no time beëindigd door verdachte, zo ook de relatie advocaat-cliënt. De verklaringen van persoon 1 zijn onbetrouwbaar en kunnen niet dienen tot het bewijs. Aan het Openbaar Ministerie verwijt de verdediging ‘karaktermoord’ te plegen op verdachte, hoewel er serieuze aanwijzingen zijn dat de verklaringen van persoon 1 onbetrouwbaar zijn buiten de betwisting van die verklaringen door de drie overige aanwezigen bij de bespreking. De verklaringen van persoon 1 over de beweerde gang van zaken tijdens de bespreking op kantoor in de avond van 17 januari 2012 worden niet ondersteund door andere wettige en overtuigende bewijsmiddelen. Het Openbaar Ministerie heeft verdachte zonder gegronde redenen ten onrechte tot aan zijn enkels afgebroken. Een aantal van de ten laste gelegde feiten heeft zich volgens persoon 1 voorgedaan buiten aanwezigheid van verdachte en niet blijkt, ook niet uit de verklaringen van persoon 1, dat verdachte hier wetenschap van had, zodat al om die reden geen sprake kan zijn van medeplegen. Dit geldt voor het verstrekken van kopieën van processen-verbaal van verklaringen van persoon 4 want volgens persoon 1 kreeg hij die tijdens de reis Zeeland/Amersfoort of bij aankomst in Amersfoort of helemaal niet en het in het vooruitzichtstellen van grote geldbedragen aan persoon 1 is eveneens volgens persoon 1 niet aan de orde geweest tijdens de bespreking.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.

Persoon 1 zou in de strafzaak X, waarin medeverdachte persoon 2 een van de verdachten is en werd bijgestaan door verdachte als diens raadsman, op verzoek van persoon 2, op 19 januari 2012 bij de rechter-commissaris in Amsterdam als getuige worden gehoord.

Op 13 januari 2012 hebben persoon 2 en persoon 6, nadat zij zijn adres hadden achterhaald, persoon 1 thuis in plaats bezocht. persoon 1 heeft die dag met zijn advocaat, mr. persoon 5, gebeld.

Een paar dagen later, op 17 januari 2012, heeft persoon 1 opnieuw thuis bezoek van persoon 2 gekregen. Ditmaal werd persoon 2 vergezeld door persoon 7. persoon 1 heeft die dag telefonisch contact opgenomen met het kabinet van de rechter-commissaris en opnieuw met mr. persoon 5. Hij is die dag met persoon 2 en persoon 7 meegegaan met de auto. Zij hebben hem naar Amersfoort gebracht en daar heeft persoon 1 zijn intrek genomen in het Hotel naam A.

In de late avond van 17 januari 2012 is persoon 1 opgehaald door persoon 2, ditmaal in het gezelschap van persoon 8. Zij zijn vervolgens gedrieën naar het advocatenkantoor van verdachte gegaan. Nadat hij persoon 1, persoon 2 en persoon 8 had binnengelaten en naar een kamer aan de voorzijde van het kantoor had geleid, heeft verdachte de zonwering voor het raam van die kamer neergelaten. Vervolgens heeft een bespreking plaatsgevonden over de strafzaak waarin persoon 1 als getuige zou worden gehoord. Daarna is persoon 1 door persoon 2 en persoon 8 teruggebracht naar zijn hotel in Amersfoort.

Op 19 januari 2012 is persoon 1 opgehaald door persoon 7 en persoon 2 en naar de rechtbank in Amsterdam gebracht waar hij die dag door de rechter-commissaris als getuige zou worden gehoord.

persoon 1 heeft verklaard dat hij in deze hiervoor weergegeven periode is beïnvloed zodat hij niet meer onbelemmerd naar waarheid zou kunnen verklaren. De verdediging is van mening dat de verklaringen van persoon 1 onbetrouwbaar zijn en niet als bewijs zouden mogen worden gebruikt en dat zij bovendien steunbewijs ontberen.

De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat de door persoon 1 afgelegde verklaringen over de hiervoor onder 4.4.1 vermelde gebeurtenissen – even afgezien van zijn bewering dat hij is geïnstrueerd wat hij moest gaan verklaren – na verificatie juist zijn gebleken en door de verdachten ook als juist worden erkend.

In de tweede plaats is er voor de verklaring van persoon 1 dat hij een verklaring moest afleggen die persoon 2 zou ontlasten, wel degelijk steunbewijs.

Persoon 6 heeft immers bij de politie verklaringen afgelegd die dit onderdeel van de verklaringen van persoon 1 schragen. Weliswaar heeft persoon 6 die verklaringen ingetrokken en is de verdediging daarom van oordeel dat deze niet tot bewijs kunnen dienen, maar de rechtbank heeft persoon 6 over zijn voor de intrekking van deze verklaringen opgegeven redenen ter zitting als getuige gehoord en is op grond daarvan tot de overtuiging gekomen dat die redenen geen geloof verdienen. De rechtbank gebruikt die verklaringen dan ook voor het bewijs.

Daarvoor is temeer reden, nu 1) de verklaringen van persoon 6 en persoon 1 ten aanzien van wat er op 13 januari 2012 bij persoon 1 thuis is voorgevallen, worden bevestigd door de verklaring van persoon 9 (welke verklaring op zich eveneens steun biedt aan de hier bedoelde verklaringen van persoon 1); persoon 9 heeft verklaard dat hij ‘heeft gehoord dat ze het over papieren hadden en wat persoon 1 moest zeggen’ en 2) uit de tussen persoon 6 en persoon 1 op 19 en 23 februari en op 5 maart 2012 gevoerde telefoongesprekken moet worden afgeleid dat persoon 6, zoals hij in de later door hem ingetrokken verklaringen heeft erkend, persoon 1 moest herinneren aan de afspraak die persoon 1 en persoon 2 hadden gemaakt; persoon 6 heeft hierover bij de politie het volgende verklaard: “Ik moest van persoon 2 zorgen dat persoon 1 zijn verklaring die hij bij de politie had afgelegd zou intrekken. (…) Ik heb inderdaad met persoon 1 gesproken over de telefoon dat hij zich aan de gemaakte afspraken moest houden.” De rechtbank leidt hieruit af dat persoon 2 met persoon 1 een afspraak had gemaakt wat persoon 1 tegenover de rechter-commissaris zou zeggen.

Ten slotte bieden ook de verklaringen van verdachte steun aan de verklaringen van persoon 1 dat hij is geïnstrueerd wat hij moest gaan verklaren bij de rechter-commissaris. Verdachte heeft verklaard dat op zijn kantoor met persoon 1 over de inhoud van de getuigenverklaring is gesproken.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich jegens persoon 1 heeft geuit om diens verklaringsvrijheid te belemmeren. Er zijn afspraken gemaakt met persoon 1 over hoe en wat hij moest verklaren. Het motief van persoon 2 om persoon 1 te laten getuigen was om hem te ontlasten in de tegen hem aanhangige strafzaak X.

Onderdeel van deze afspraken was ook dat persoon 1 kennelijk moest verdoezelen dat hij voor het verhoor bij de rechter-commissaris door persoon 2 was opgehaald. persoon 1 heeft verklaard dat hem door verdachte is gezegd dat hij geheid de vraag van de rechter-commissaris of een van beide officieren van justitie zou krijgen waarom hij, hoewel hij geen uitnodiging voor het verhoor had ontvangen, toch was gekomen en welk antwoord hij op die vraag moest geven, namelijk dat hij van zijn advocaat mevrouw mr. persoon 5 had vernomen dat hij voor het verhoor was opgeroepen.

De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door de angst van persoon 1 voor persoon 2 die uit het dossier naar voren komt. Persoon 1 heeft op 26 januari 2012 verklaard dat hij nog steeds bang is. Ook zijn broer persoon 10 heeft verklaard dat persoon 1 bang was. persoon 1 heeft verklaard dat hij op verschillende plaatsen verbleef omdat hij bang was en dat wordt bevestigd door persoon 6. Laatstgenoemde heeft verklaard ook zelf bang te zijn. Uit het dossier volgt dat verdachte ook niet zonder vrees voor persoon 2 door het leven ging.

Tot de overtuiging van de rechtbank draagt ten slotte bij dat op het kantoor van verdachte verschillende briefjes zijn aangetroffen, waarin instructies van persoon 2 staan die ertoe strekten andere getuigen te beïnvloeden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met persoon 2. In de nacht van 17 op 18 januari 2012 heeft de meergenoemde bespreking plaatsgevonden op het advocatenkantoor van verdachte. Hij kende de zaak waarin persoon 1 een verklaring moest afleggen en hij zou aanwezig zijn bij het getuigenverhoor op 19 januari 2012 en had daarom een wezenlijk rol in het geheel. Verdachte zorgde ervoor dat de zonwering werd neergelaten toen persoon 1 zijn kantoor betrad. Op geen enkel ogenblik heeft hij zich van de gang van zaken in zijn kantoor gedistantieerd. Op 19 januari 2012 hebben verdachte en persoon 2 voordat persoon 1 bij de rechter-commissaris als getuige zou worden gehoord telefonisch contact gehad en nadat het getuigenverhoor is afgeblazen, hadden zij zelfs 10 minuten telefonisch contact. Op verdachtes kantoor is een aantal instructiebriefjes aangetroffen. Het betreffen briefjes die door persoon 2 zijn geschreven en die persoon 2 met verdachte heeft besproken.

Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreigingen, intimidatie en het fysieke geweld waarover persoon 1 heeft verklaard, is onvoldoende steun te vinden in het dossier zodat verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen zoals in rubriek 5 is uitgewerkt. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Zij zal in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, de bewijsmiddelen nader uitwerken en in een aanvulling opnemen die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf bestaande van 180 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF