Medeplegen van onjuiste aangiften omzetbelasting: verweer dat verdachte op zijn boekhouder mocht vertrouwen verworpen

Rechtbank Rotterdam 24 januari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2026

De verdachte heeft zich over een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude door opzettelijk en stelselmatig te weinig omzetbelasting aan te geven en te betalen. De Belastingdienst is hierdoor in totaal voor €217.155 benadeeld.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van voornoemd geldbedrag door dit door middel van contante opnames en girale overboekingen aan zijn onderneming te onttrekken en te besteden aan het aflossen van privéschulden en het aanschaffen van privégoederen. Het witwassen van een dergelijk geldbedrag tast de integriteit aan van het financiële en economisch verkeer, kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving en vormt daarmee een ernstige bedreiging voor de legale economie.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Verder is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte, zoals is vereist voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen. Tevens blijkt niet uit het dossier dat de verdachte wist of behoorde te weten dat het onder 2 tenlastegelegde benadelingsbedrag van €217.155 door het doen van onjuiste belastingaangiften was verkregen.

De verdachte heeft maandelijks tijdig de administratie van zijn onderneming ingeleverd bij zijn boekhouder, te weten de medeverdachte naam medeverdachte, voor het indienen van aangiften omzetbelasting. Maandelijks kreeg hij van naam medeverdachte een kopie van de aangifte omzetbelasting waarop het te betalen bedrag aan omzetbelasting stond vermeld. Hij mocht op de expertise van een professional als naam medeverdachte vertrouwen. Daarom mocht hij ervan uitgaan dat de aangiften omzetbelasting juist waren. De verklaring van naam medeverdachte dat de verdachte hem maandelijks telefonisch doorgaf hoeveel belasting de verdachte maandelijks wenste te betalen en dat de administratie pas veel later werd aangeleverd, is onjuist. Die verklaring is ongeloofwaardig en wordt niet door enig bewijsmateriaal ondersteund. Uit de e-mail van 29 juli 2014 (document 116) waarin naam bedrijf opgeeft aan naam medeverdachte hoeveel de omzetbelasting over de maand juni 2014 bedraagt, volgt het opzet ook niet, omdat deze e-mail betrekking heeft op een niet-tenlastegelegde periode.

Beoordeling

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Over de periode van 26 februari 2011 tot en met 22 mei 2014 zijn door naam medeverdachte namens verdachte onjuiste digitale aangiften omzetbelasting ingediend bij de Belastingdienst. Uit het dossier blijkt dat de aangegeven omzet met de daarbij behorende af te dragen omzetbelasting structureel (behoudens de omzet(belasting) over de maand december 2011) aanzienlijk te laag was ten opzichte van de daadwerkelijk gefactureerde omzet en omzetbelasting.

De verdachte is in zijn hoedanigheid van ondernemer de normadressaat van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen bepalingen over het doen van aangifte omzetbelasting en verantwoordelijk voor het juist en volledig indienen van deze aangiften bij de Belastingdienst. Indien hij het opstellen van de aangiften uitbesteedt aan een ander, rust op hem de verplichting om de in te dienen aangiften vooraf op juistheid en volledigheid te controleren. De rechtbank volgt de verdachte niet in zijn standpunt dat hij mocht vertrouwen op zijn boekhouder. Daar komt bij dat uit zijn eerste verhoor blijkt dat hij wist dat het tussen 2008 en 2010 ook al fout was gegaan omdat naam medeverdachte toen lagere bedragen had opgegeven dan dat verdachte in werkelijkheid aan de Belastingdienst moest betalen en dat dit tot nabetalingen aan de Belastingdienst had geleid.

De verdachte hield zelf de urenregistratie van zijn personeel bij en hij maakte de facturen. De betaling van de facturen werd door hem gecontroleerd. De verdachte heeft verklaard dat hij op basis van de facturen wist wat in de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 de maandelijkse gefactureerde omzet was.

De verdachte had dus inzicht in de maandelijkse omzet, de af te dragen omzetbelasting en de voorbelasting die leveranciers hem in rekening brachten. Gelet op de grote verschillen tussen enerzijds de aangegeven en anderzijds de gefactureerde omzet(belasting) had de verdachte telkens direct kunnen en moeten constateren dat de aangiften omzetbelasting niet klopten met de gefactureerde omzet en af te dragen omzetbelasting.

Bovendien wist de verdachte dat de maandelijkse aangiften die door naam medeverdachte waren opgesteld niet waren gebaseerd op omzetgegevens, omdat hijzelf maandelijks aan naam medeverdachte doorgaf hoeveel er aan omzetbelasting kon worden betaald. naam medeverdachte nam vervolgens een bedrag in die orde van grootte op in de aangifte. Dat dit de werkwijze was volgt niet alleen uit de verklaring van naam medeverdachte maar ook uit de aan naam medeverdachte gezonden e-mail van 21 juli 2014 van naam bedrijf met de facturen van de laatste week van juni 2014 als bijlagen. In deze e-mail staat immers €600 als het te betalen bedrag aan omzetbelasting over juni 2014, terwijl uit de onderliggende facturen blijkt dat de af te dragen omzetbelasting over deze periode €1.995,75 zou hebben moeten bedragen. Deze e-mail past naadloos in de door medeverdachte naam medeverdachte geschetste modus operandi en de rechtbank ziet mede daarom geen reden aan de verklaring van naam medeverdachte te twijfelen. De omstandigheid dat deze e-mail betrekking heeft op een aangifte die buiten de tenlastegelegde periode valt, doet hieraan niets af. De hiervoor weergegeven werkwijze behelst verder een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en naam medeverdachte dat gesproken kan worden van medeplegen.

De rechtbank komt op grond van wat hiervoor is overwogen tot het oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het medeplegen van het opzettelijk en onjuist doen van de tenlastegelegde aangiften omzetbelasting.

De verdachte heeft in totaal €217.155 van andere ondernemers ontvangen omzetbelasting, opzettelijk niet afgedragen aan de Belastingdienst en heeft dit bedrag hierdoor verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft dit geldbedrag in de jaren 2011 tot en met 2014 onttrokken aan zijn onderneming voor het aflossen van privéschulden en de aanschaf van privégoederen. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het een gewoonte maken van witwassen van voornoemd geldbedrag.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Het primair tenlastegelegde onder 1 en 2 is aldus bewezen.

Kwalificatie

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat ten aanzien van het benadelingsbedrag van €217.155 sprake is van het verwerven en voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf van de verdachte verkregen geldbedrag. Het enkele verwerven en voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstig geld valt volgens vaste jurisprudentie niet onder de strafbepaling van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte zal voor deze onderdelen worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

  • Feit 2: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

  • Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank weegt de bewezenverklaarde feiten zwaarder dan de officier van justitie in zijn strafeis tot uitdrukking heeft gebracht en is van oordeel dat diens strafeis geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten enerzijds en de houding van de verdachte ter terechtzitting anderzijds. De verdachte heeft, anders dan medeverdachte, het benadelingsbedrag van €217.155 geheel ‘in eigen zak gestoken’. De verdachte heeft aldus financieel voordeel gehad van de belastingfraude en hij heeft het verkregen geldbedrag ook witgewassen. Verder heeft de verdachte er ter zitting geen enkel blijk van gegeven zijn verantwoordelijkheid te nemen en de laakbaarheid van zijn handelen in te zien, maar is hij blijven wijzen naar naam medeverdachte, terwijl hij wist dat naam medeverdachte eerder onjuiste aangiften had opgesteld. De rechtbank acht daarom de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar in beginsel passend en geboden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^