Medeplegen van, als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, bedrieglijke bankbreuk

Rechtbank Noord-Nederland 9 december 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6708

Op 28 februari 2011 is benadeelde partij bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden in staat van faillissement verklaard. Verdachte was de bestuurder van deze rechtspersoon.

Op 11 maart 2011 is de winkel door de curator in aanwezigheid van verdachte gesloten. Verdachte heeft toen sleutels van de winkel aan de curator overhandigd.

Op 29 maart 2011 is de curator terug gegaan naar de winkel en constateerde hij dat de gehele winkel, op een aantal goederen na, zoals stellingen en een heftruck, leeg was.

De curator zag vervolgens op 31 maart 2011 dat de heftruck was weggenomen en op 4 april 2011 dat ook de stellingen weg waren.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

De verklaring van persoon 1 acht de officier van justitie geloofwaardig, nu deze verklaring niet alleen het meest waarschijnlijk is maar ook wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Dat verdachte het feit ontkent en ogenschijnlijk geen financieel motief heeft, doet daar niet aan af. Verdachte heeft blijkbaar op dat moment een grote behoefte gehad aan de opbrengst van de verkoop van de goederen en onvoldoende rekening gehouden met de consequenties daarvan, aldus de officier van justitie.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt dat persoon 1 de hele inboedel van de winkel heeft verkocht. Het bewijs dat verdachte hiertoe opdracht heeft gegeven komt slechts uit één bron, namelijk die van persoon 1. Voor zover steunbewijs zou kunnen worden gevonden in de verklaringen van persoon 2, kan niet uitgesloten worden dat persoon 1 en persoon 2 elkaar hebben beïnvloed. Bovendien zijn de verklaringen van persoon 1 niet betrouwbaar: persoon 1 heeft aantoonbaar gelogen in zijn verklaringen en daarom moeten deze verklaringen worden uitgesloten van het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Persoon 1 heeft verklaard dat hij in opdracht van verdachte gedurende ongeveer drie weken goederen van het bedrijf (benadeelde partij) heeft verkocht vanuit de winkel van het bedrijf. De goederen die niet verkocht waren, heeft hij bij het ontruimen van het pand elders opgeslagen. Persoon 1 heeft niet alleen een deel van de opbrengst afgedragen aan verdachte, maar ook zelf een deel van de opbrengst gehouden, aldus persoon 1.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door persoon 1 afgelegde verklaringen stelt de rechtbank voorop dat zijn verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals hierna wordt overwogen. Daar komt bij dat persoon 1 niet alleen verdachte, maar ook zichzelf belast. Dat persoon 1 niet geheel gelijkluidende verklaringen heeft afgelegd, maakt niet dat al zijn verklaringen onbetrouwbaar moeten worden geacht. Dit is immers te verklaren door zijn gewijzigde proceshouding tijdens het vierde politieverhoor op 8 maart 2012. De verklaringen die hij vanaf dat moment heeft afgelegd zijn consistent. De rechtbank acht de verklaringen die persoon 1 vanaf het vierde politieverhoor op 8 maart 2012 heeft afgelegd betrouwbaar en verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in onderhavige zaak de verklaringen van persoon 1 dat hij opdracht had gekregen van verdachte om de goederen van verdachtes bedrijf te verkopen, steun vinden in andere wettige bewijsmiddelen, zoals hieronder bij de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Het gaat dan met name om de verklaring van persoon 2 over het bezoek van verdachte, waarbij verdachte hem heeft gezegd dat hij te weinig voor de heftruck had betaald en de vele telefoongesprekken die in de periode rond de leegverkoop van de winkel hebben plaatsgevonden tussen persoon 1 en verdachte.

De enkele omstandigheid dat de getuige persoon 2 een rol heeft gehad bij de uitvoering van de verkoop van de goederen, maakt niet dat zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn.

Verdachte heeft eerst ter zitting verklaard dat het klopt dat hij bij persoon 2 geweest is om te zeggen dat hij te weinig had betaald voor de heftruck, en wel omdat hij op dat moment in overleg met de curator voor de belangen van de boedel opkwam. Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig, reeds omdat verdachte eerder consequent heeft betwist iets dergelijks tegen persoon 2 gezegd te hebben. De door verdachte gegeven verklaring over het grote aantal telefoongesprekken dat hij in de periode rond de verkoop van de goederen met persoon 1 heeft gevoerd of heeft geprobeerd te voeren, acht de rechtbank eveneens niet aannemelijk. De rechtbank vermag niet in te zien dat verdachte zoveel belang zou hebben bij een door persoon 1 aan hem te leveren lease auto dat hij daar tot wel 140 telefoongesprekken aan zou wijden, waarvan het overgrote deel onbeantwoorde telefoontjes zouden zijn geweest.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervoor veroordelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat verdachte in de periode van 28 februari 2011 tot en met 4 april 2011, te [pleegplaats], in de gemeente Opsterland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [benadeelde partij], die bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, op 28 februari 2011 in staat van faillissement was verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers goederen, aan de boedel onttrokken heeft, immers heeft verdachte en/of verdachtes mededader goederen verkocht en de opbrengst van die verkochte goederen, niet afgedragen aan de curator, en goederen overgebracht of doen of laten overbrengen, naar plaatsen onbekend aan de curator, en aldus telkens buiten het bereik en beheer van de curator gebracht.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.

Verdachte heeft goederen die tot de failliete boedel behoorden laten verkopen en laten opslaan op voor de curator onbekende plaatsen.

Ook heeft verdachte de verkoopopbrengst niet aan de curator afgedragen. Aldoende heeft verdachte de afwikkeling van het faillissement ernstig bemoeilijkt en financiële schade toegebracht aan de gezamenlijke schuldeisers.

De exacte verkorting van de rechten van de schuldeisers kan aan de hand van de stukken niet worden vastgesteld, maar het bedrag ligt tussen € 70.000,- tot € 125.000,-.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 200 uren onbetaalde arbeid.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF