Kwalificatie-uitsluitingsgrond voor witwassen van uit eigen misdrijf verkregen gelden niet van toepassing op de feitelijk leidinggever nu de misdrijven zijn begaan door de rechtspersoon.

Rechtbank Rotterdam 19 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2989

De verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van bestuurder van rechtspersoon 1, gedurende een periode van meerdere jaren, schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het door genoemde rechtspersoon plegen van valsheid in geschrift, bestaande uit het valselijk opmaken van facturen en verantwoordingsformulieren die zien op veronderstelde zorgverlening aan cliënten in het kader van persoonsgebonden budgetten, waardoor door naam rechtspersoon 1 meer uren werden gedeclareerd – en waartoe vervolgens door haar betalingen werden ontvangen – dan feitelijk door haar aan zorgverlening was besteed dan wel zou worden besteed.

Daarnaast heeft de verdachte, in samenhang met het voorgaande, crimineel verkregen geldbedragen witgewassen.

Standpunt van de verdediging

Van het onder 1 tenlastegelegde dient de verdachte te worden vrijgesproken. Het systeem van achteraf factureren bleek problematisch, zodat binnen naam rechtspersoon 1 de zorg bij wijze van voorschot vooraf in rekening werd gebracht. De zorg werd van tevoren ingepland en daarna uitgevoerd. Er is geen sprake geweest van minder daadwerkelijk verleende zorg dan er in rekening werd gebracht. Alle in rekening gebrachte zorguren zijn daadwerkelijk verleend; cliënten van naam rechtspersoon 1 werden niet benadeeld.

Hoewel sommige formulieren mogelijk onjuist zijn ingevuld, ontbreekt de materiële valsheid; de strekking van hetgeen was ingevuld was immers wel juist. Het oogmerk tot misleiding ontbreekt bij de verdachte. De verdachte heeft op geen enkele moment aan wie dan ook de opdracht gegeven de formulieren van een (valse) handtekening te voorzien, of om blanco formulieren te ondertekenen.

Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. De verdachte ontkent feitelijk leidinggever te zijn geweest. Hij was slechts op papier directeur en leidinggevend, niet in de praktijk; hij nam feitelijk geen beslissingen. De verdachte heeft evenmin willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen; hij wist er niet van en wilde het zeker niet.

Ook van het onder 2 tenlastegelegde dient de verdachte te worden vrijgesproken.

De verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het tenlastegelegde witwassen. De zich in het dossier bevindende en jegens de verdachte belastende getuigenverklaringen zijn onbetrouwbaar.

Oordeel van de rechtbank

Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, dient:

“bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, (…) eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (…). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven. (…). Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid.”

De valsheden zijn door de rechtspersoon gepleegd. Immers, binnen de rechtspersoon was het gebruikelijk om niet de kosten van de werkelijke geleverde zorg te declareren, maar om de toegekende PGB’s te delen door het gehanteerd uurtarief, zodat het volledige budget werd benut. Daarnaast was het binnen de rechtspersoon bekend, dat de cliënten vele maanden in Turkije verbleven en daar niet de op de facturen vermelde zorg ontvingen, al was het alleen al omdat volgens die facturen de zorg in Nederland werd geleverd. Anders gezegd, het opzet was ook op de valsheid gericht.

Gebleken is dat deze misdrijven in opdracht van de verdachte geschiedden of het onvermijdelijke gevolg zijn geweest van die opdrachten en dus van het door hem gevoerde beleid. Uit de verschillende verklaringen die zich in het dossier bevinden, en ook uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij enkele malen per week contact had met de medeverdachte over haar administratieve werkzaamheden en dat hij steeds opdracht gaf tot het opmaken van facturen, blijkt dat de verdachte binnen naam rechtspersoon 1 de dagelijkse leiding had en als directeur opdrachten aan het aldaar werkzame personeel gaf. Hij had bepaald dat de facturen niet werden opgemaakt op basis van de werkbriefjes, maar op basis van de toegekende budgetten. Daaruit vloeide onvermijdelijk voort dat ook de PGB-verantwoordingsformulieren, die werden opgemaakt op basis van de facturen, vals waren.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank wel van oordeel dat de bewezenverklaarde periode 1 januari 2008 tot 1 oktober 2011 betreft. Van het resterende deel van de tenlastegelegde periode zal de verdachte worden vrijgesproken, nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor feitelijke leidinggeven na 30 september 2011.

Ook het onder 2 tenlastegelegde gewoontewitwassen is, gelet op het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken, wettig en overtuigend bewezen. Omdat het exacte witgewassen totaalbedrag niet (meer) kan worden gereconstrueerd, zal worden bewezenverklaard dat de verdachte ‘een geldbedrag’ heeft witgewassen. Anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, is dit geld niet verkregen door een misdrijf dat door de verdachte zelf is begaan, maar door een misdrijf dat door de rechtspersoon is begaan. De feitelijke leidinggever is ook geen deelnemer aan het strafbare feit. De door de Hoge Raad geformuleerde kwalificatie-uitsluitingsgrond is niet van toepassing. Bovendien, een deel van het geld is per bank overgemaakt naar Bulgarije, terwijl een ander deel contant is opgenomen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij verslaafd was aan gokken en dat hij een huisje heeft gekocht in Bulgarije. Hieruit moet worden afgeleid dat hij het geld niet alleen voorhanden heeft gehad, maar ook heeft overgedragen naar banken in het buitenland en heeft omgezet in een huis en in contant geld, dat hij gedurende de tenlastegelegde periode heeft uitgegeven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 240.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF